Vinaora Visitors Counter

1280089
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
26
543
2552
819604
6141
19607
1280089

Your IP: 3.238.225.8
2022-08-11 00:40

Het portret van William Eddy Heystek - 3

Met de inval van de Japanners moesten wij het land (plantage) verlaten. De inlanders roofden en vernietigden alles wat tot de Nederlanders en Indische Nederlanders behoorde. Omdat opa en oma zo goed bevriend waren met Pater De Lange en Pastoor Zwitzar van de kerk in Pekalongan, mochten wij wonen in het huis van de onderwijzeressen dat op het schoolerf stond. Daar verbleven wij anderhalf jaar. De toestand was uitermate verwarrend en de Javanen maakten van deze verwarring gebruik. Zij pleegden overval op overval, Chinese toko’s werden geplunderd, Chinezen zelf werden vermoord en voedselopslagplaatsen leeggeroofd. In de loodsen lagen tot op acht meter hoogte zakken rijst en maïs van zo’n honderd kilo gestapeld. Indiërs klommen tot boven op de zakken en gooiden die naar beneden. Anderen sneden de onderste zakken open en vulden meegebrachte potten. De balen die van acht meter naar beneden werden gegooid raakten niet zelden de mensen beneden en soms met dodelijk gevolg. Vader werkte nog op de suikerfabriek Djati en nam deel aan de stadswacht toen de Japanners het land binnenvielen. Opa en Oma besloten eveneens naar Djati te gaan en in te gaan wonen bij hun dochter, onze stiefmoeder. Opa probeerde op de fabriek samen te werken met vader en dat lukte!

 

Verraad

Kort na aankomst in Djati werd vader verraden door een Ambonees die beweerde dat vader een radio had waarmee hij in verbinding stond met de geallieerden. Dat was een leugen! Men beweerde ook dat vader een opslagplaats voor wapens had. Dat was een nog grotere onwaarheid! Toch werd vader naar aanleiding daarvan als een misdadiger in de gevangenis gezet. Ook ik werd toen opgepakt op grond van valse beschuldigingen en zat voor 6 maanden, tot het einde van de oorlog, vast. Een bittere ervaring voor wie nog maar 17 jaar oud was. We moesten voor de Japanners zwaar werk verrichten. Zij lieten ons in de bossen hout kappen dat gebruikt werd voor de spoorwegen. Door de warmte, de hoge luchtvochtigheid en de slechte verzorging viel dat niet mee.

 

Ik zat gevangen op het Tengger Plateau met uitzicht op de Semeru vulkaan of Gunung Semeru. Het is de hoogste vulkaan op Java en tevens één van de meest actieve vulkanen van het eiland. De vulkaan is ook bekend onder de naam Mahameru (“Grote Berg”). In een vast ritme van een paar minuten stootte de vulkaan een rookpluim uit als teken dat hij nog steeds actief was. Ik keek daar vaak naar. Deze vulkaan is onderdeel van het Bromo Tengger plateau. De Bromo is ook een actieve vulkaan. Nog steeds worden door bewoners beeldjes, maar bijvoorbeeld ook levende geiten en kippen als offer vanaf de rand in de vulkaan gegooid. Tijdens erupties gooit de vulkaan de offerrandes terug uit de krater. Die zijn gewild. Zelf bezit ik een klein groen uitgeslagen koperen beeldje van een mannetje dat door deze vulkaan is teruggegeven. Voor mij is het een dankbaar bezit.

 

Vader had echter geluk, de directeur van de gevangenis was een beschaafde Japanner, die katholiek was en een Engelse vrouw had getrouwd. Mijn vader werd dus nog enigszins met respect behandeld en veel later in de oorlog overgeplaatst naar een krijgsgevangenkamp ergens in de residentie Semarang.

 

Naoorlogse jaren

Terugkijkend op mijn jonge jaren tot en met die tijdens de oorlog, heb ik heel wat avonturen beleefd. Het was een groot, grotendeels wild, land en enigszins wetteloos. Er waren nog maagdelijke wouden met vele wilde dieren. Een romantisch land waar men dagen achtereen kon lopen zonder iemand tegen te komen. Maar het leven ging verder, het zou niet meer worden wat het geweest is. Wij rekende er op dat alles, in het land en met ons, weer beter zou gaan worden. Het tegendeel bleek al snel. Ik en met mij vele anderen werden opnieuw geïnterneerd; nu door de republiek. Ik liep daar in het kamp een bacillaire dysenterie op. Een voor mij verder onbekende Indische man, Wim Rudolf, ontfermde zich over mij en verzorgde me zodat ik vrij snel genas van de aandoening. Triest genoeg zou “oom Wim” zoals ik hem noemde op een niet natuurlijke wijze aan het einde van zijn leven komen.

 

Na een jaartje werden wij geëvacueerd naar Batavia wat tegenwoordig Jakarta heet. Ik kreeg van het Rode Kruis te horen dat mijn vader in Bandoeng zat maar oom Wim Rudolf zei tegen mij dat ik bij hem moest blijven.

 

Van Batavia gingen we met de een boot, de Plancius, naar Soerabaya. Daar kwamen wij terecht in het NIAS opvangcentrum en vervolgens naar oom Thomas, een broer van oom Wim, aan de Jalan Nias nr. 38. We bleven daar een weekje totdat oom Wim zijn andere twee broers had teruggevonden. Oom Thomas had nog familie in het binnenland dus moesten wij weer verhuizen. Deze keer naar andere broers van oom Wim, te weten oom Bernhard en oom Karel. Oom Karel was hoofdmonteur in de LTD werkplaats tegenover de gevangenis waar bijna alle gevangen waren vermoord door de republiek. Ik werd als leerling monteur aangesteld en moest ‘s avonds naar school toe en deed daar mijn uiterste best.

 

Op een goede dag zag ik op een erf van een oude suikerfabriek een auto zonder banden staan. Ik toog naar Lt. Dobbinga en vroeg of ik een kraanwagen van hem mocht lenen. Hij vond dat goed. Veel geld had ik niet, maar ik mocht de auto later betalen. De chauffeur van de kraanwagen sleepte de auto naar mijn erf. Ik gaf hem drie gulden als fooi, meer geld bezat ik toen niet. Toch was de chauffeur blij en ik niet minder.

 

Mijn eerste indruk was dat de auto wat onderdelen betreft op de banden na nagenoeg compleet was. Ik nam mijn ontslag bij mijn werkgever om fulltime voor mijzelf te kunnen werken. Na een week hard werken was de auto klaar en ik vroeg een proefritnummer aan bij de MTD. Mijn eerste proefrit ging naar Grisee naar de wonderboom genaamd Patjee. Dat is een bijzondere boom. Om er bij te mogen komen moest je een dubbeltje betalen en mocht je een vrucht van de boom plukken. Veel jongehuwden deden dat. Zij geloofden er in dat als er in de vrucht geen pitjes zouden zitten, het huwelijk zonder kinderen zou blijven. Daarentegen, als de vrucht veel putjes bezat zou het huwelijk gezegend worden met veel nakomelingen.

 

Na een week ging ik al taxirijden. Eigenlijk mocht dat nog niet, maar je kunt niet overal rekening mee houden. Zo verdiende ik in korte tijd voldoende om mijn autobanden af te betalen en natuurlijk de auto die mij 750 gulden had gekost. Na een tijdje vroeg ik een autonummer aan en kreeg dat al na een half uur. Vanaf dat moment vervoerde ik veel passagiers verdiende voor die tijd heel goed. Bij iedere vendutie kocht ik auto’s die ik eigenhandig opknapte. Op een zeker moment bezat ik vier auto’s. Het kleine taxibedrijf floreerde. Ik had chauffeurs in dienst. Bij andere ondernemers mochten zij 5 of 10% van de omzet behouden. Uit ervaring wist ik dat chauffeurs daarnaast een deel van de omzet achterhielden en in eigen zak stopten. Dat wilde ik niet en besloot dat ze bij mij 50% van de omzet mochten houden. Als ze dan toch zouden stelen, zouden ze meteen ontslagen worden. Bij zo’n goede werkgever wilde zij niet stelen.

 

Na een jaar kwam oom Piet Heystek in mijn leven en vroeg mij om huisvesting die ik hem gaf. Na een week arriveerde hij en na aankomst ging hij solliciteren bij de Pakuda plantage in Kalibaru met een koffie- en rubber-aanplant. Hij werd daar aangenomen en ging uiteindelijk op de plantage wonen. Intussen hoorde ik dat oom Wim en zijn vrouw van achteren door de pemudas (jonge Indonesische Nationalisten) was dood geschoten toen hij naar zijn landje ging. Meer weet ik er niet meer van.

Wordt vervolgd

Het portret van William Eddy Heystek -1

Het portret van William Eddy Heystek - 2

Het portret van William Eddy Heystek - 4

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen