Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

534256
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
376
778
376
74183
16159
20533
534256

Your IP: 54.224.247.42
2018-10-21 08:12

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 6

Het betreft hier een vrijwel letterlijke transscriptie van het document dat eigenhandig door Jan Heijstek in Afrika is opgesteld. Slechts enkele woorden zijn aangepast aan het hedendaagse Nederlands.

 

Zijn eigenhandig geschreven levensverhaal.

Dramatische gebeurtenissen in 1865 overkomen

 

Toelichting: In het jaar 1865 brak er een oorlog uit tussen de Oranje Vrijstaat en de Basuto’s. Ook Jan Heystek werd daar ongewild in betrokken. Hij legt zelf uit waarom hij daarover niet eerder heeft geschreven.

 

Door ik in vorenstaande beschrijving geen melding maakte van het gebeurde dat mij in het jaar 1865 overkomen was, ga ik er nu nog toe over het op schrift te stellen. Vooraf eerst de reden waarom ik het vroeger niet gedaan heb. Enige jaren geleden toen op het "Volkstem" kantoor te Pretoria het blad de "Brandwacht " door de heer Malherbe werd uitgegeven, had ik een volle beschrijving ervan persoonlik aan Z.Ed. op zijn kantoor overhandigd hetzij als een stuk voor publicatie in de "Brandwacht" of als latere geschiedenis met anderen van dien aard in boekvorm door hem uit te geven nadat hij zelf goed dacht te doen. Ik heb er evenwel sedert dien tijd niets meer van vernomen.

 

 

Het was dan op de 27e juni 1865 met het uitbreken van de oorlog tussen de Oranje Vrijstaat en de Basuto's onder de hoofdkaptein Moshes, dat ik met de heer Tjaart Andries Petrus Kruger een eigen broeder van Z.H.Ed. President Kruger, en de volgende personen n.m. Gert Botha met vrouw en drie kinderen en Koos Pieterse zijn schoonzoon die ook uit Natal kwamen op Drakensberg door een commando Basuto's van Malap onder aanvoering van den kleinkaptein met name Letsea gedwongen werden onze ossen voor de wagens uit te spannen en daar te blijven. Het was des morgens vroeg en nadat het hele commando de berg af Natal ingegaan waren, bleef de kleinkaptein met zijn lijfwacht bij hem op omtrent een vijf of zes honderd treden van ons verwijderd stand houden. Hier begon zijn duivels verraad tegenover ons. Hij liet ons door een tolk vertellen dat de oorlog tussen hun en de Vrijstaters was uitgebroken, en nadat hij van ons vernomen had dat wij Transvalers waren, liet hij ons zeggen dat zijn commando des morgens langs het pad buiten zijn order mensen vermoord hadden, wij op de plek waar wij waren moesten blijven, en wachten tot zijn commando uit Natal terug kwamen, en ons dan een wacht zou geven om ons de Vrijstaat door te brengen, want ze hadden geen oorlog met de Transvaal.

 

Ik ga nu maar voor zo ver ik mij nog herinner het geval optekenen. Toen wij des morgens met ons trekken tegen de berg op in 't pad waren, en de commando tegenkwamen, was het zo gegaan. Eerst kwamen er zes krijgers te paard vooruit, twee op gele paarden, twee op vossen en twee op bruine die bij ons voorbij gingen zonder stil te houden of iets te zeggen. Een weinig later kwam het commando de nek van de berg over, toen Koos Pieterse die dat het eerste zag riep "Kijk de tegenstanders die de nek afkomen". Onze wagen was voor, toen die van Pieterse en na die de twee wagens van Botha. De heer Kruger lag in de wagen lijdende aan de maag. Ik zat voorop de wagenkist met de drijver langs mij, en zei hem om maar op te staan daar ik niets goeds verwachte, en dat ook spoedig bleek. De tegenpartij kwam in zo'n dik spul aan dat de ossen gingen staan. Een van de voorste vroeg waar wij heen gingen en wie of wij waren. Op het antwoord aan hun dat we Transvalers waren en naar Rustenburg gingen, zei een van hun (die op een geel paard zat) "Paul Kruger het ook een commando na de Vrijstaat gestuur om die boeren te help. Laat ons hulle doodschiet", en trok de holster van zijn geweer, doch weer ander zei "Ne man laat hul maar verbij gaan". Zij gingen toen bij de wagens voorbij en wij konden daarna boven op den berg komen waar de kapitein met zijn wacht gebleven was. Na we uitgespannen hadden maakte we als naar gewoonte vuur om ketel te koken en om vlees gaar te maken. De gehele dag waren we zo bij de wagens en gebruikte beschuit met koffie, daar we 't vlees later zouden eten. De drie personen Kruger, Botha en Pieterse gingen zo tegen elf uur naar de kapitein met zijn wacht op de nek, en namen nog al een rol tabak mede om hem present te doen, en kwamen spoedig terug bemerkende dat er een slang in die gras was. Ik zag dadelijk aan hun dat het fout ging worden. Het duurde dan ook niet lang of van de stamleden die Natal in waren, kwamen bij troepjes terug met grote klompen vee dat ze geroofd hadden zo als beesten, paarden en schapen met de Zula veewachters er bij, en die voorbij lieten gaan, terwijl een gedeelte der Basuto's het vee bleef aanjagen, en een gedeelte van hun bij ons afklommen en daar verzamelde. Ik heb nimmer in mijn gehele leven zo ver ik mij herinner, zo veel vee op één dag bij mij voorbij zien gaan, dat langs een wagenpad werd aangejaagd. Zo ging het met elke troep die voorbij kwam. En al dadelijk namen ze deksels van de kostpotten af haalde het vlees er uit, vatten de bekers en suiker en koffie, en haalde beschuit van de wagens, stieten ons van de veldstoeltjes en waren baas over ons. Terwijl een van hun geleerde kwasie christen ons vertelde dat de Filistijnen zoals zij genoemd werden nu over de Israëlieten regeerde, en de laatste Boer door hun de zee ingejaagd zouden worden, alleen de Engelse zouden ze sparen. Toen nu de laatste krijgers met het vee dat ze in Natal geroofd hadden voorbij kwamen, namen ze ook al onze ossen en gingen met die ook weg, en toen kwam de Kaptein met zijn wacht ook voorbij. De heer Kruger ging toe naar het pad en zei hardop aan hem "Daar vatten de krijgers de ossen ", doch hij wees hem met hand terug en riep "Slaat hulle dood". Op dat woord van de Kaptein brak de duivel los. Ik was voor op de wagen gegaan om nog te willen keren, door de zeilklap toe te maken, doch kreeg met een knopkierie waarvan de kop vol spijkerkoppen was een slag in mijn rechterzijde dat ik van de wagen afviel, en werd opzij gestoten. De krijgers klommen voor en achter op onze wagen, en het eerste wat ze er uit gooide was het geweer van Kruger dat in een leeuwvel holster was. Toen werden er de trompen van geweren op mijn borst gezet, met bijlen, kieries en assegaaijen gedreigd, het hoed 't eerste van mijn hoofd gerukt, mijn warm jas, mijn baatje, onderbaatje en al mijn kleren tot op het hemd na mij van 't lijf afgerukt, mijn schoenen van de voeten genomen, en toen ik, Kruger en Pieterse nu elkaar konden zien tussen de troep barbaren waren we alle drie in dezelfde toestand. Op een ogenblik dat ik en Pieterse langs elkander stonden, mikte een tegenstander naar ons met een buksgeweer voorlader met groot dopje erop, dat afklapte, het geweer ging niet los, toen op 't zelfde ogenblik een van hun eigenen 't geweer met een stok of iets weg sloeg, had het schot losgegaan zou ik de kogel bij het rechteroor in gekregen, zo door mijn hoofd in het hoofd van Pieterse waarschijnlijk gegaan zijn. Hoeveel geweertrompen me op mijn borst gedrukt zijn, en dreigementen met andere wapens aan mij gedaan, 't getal kan ik niet met zekerheid zeggen daar ik totaal dof was, en slechts de genadeslag elk ogenblik verwacht. Toen de heer Kruger door een van hun gezegd werd zijn schoenen los te maken, en hij voorover bukte dat te doen zei de krijger "maak gou" en sloeg hem met een sambok tweemaal over de schouders achter de nek, zodat de punt van die sambok hem onder de keel stuksloeg. Het is later gebleken dat dezelfde krijger niemand anders was als Raikane een zoon van Mamagali, die later kaptein van de stam der Bakwêna Bamagoepa was in 't Rustenburg district. Hij werd gewoonlijk Koos Magalie genoemd, en stierf voor de Vrijheidsoorlog 1880-81 gelukkig voor onze bevolking.

 

Een zoon van Botha nam de vlucht naar de kop die nabij ons was waar het geval gebeurde. Een krijger te paard vervolgde hem een eind doch draaide toen om daar hij hem niet in handen kreeg. Zeker onder Gods bestuur.

 

Al het goed dat op de wagens was werd er afgenomen en wat ze niet medenamen werd vernield. De bedden opengesneden en de veren ervan uitgeschud, de kussens en kombersen weggenomen, de koffie en suikerzakken die we gehandeld hadden op de grond uitgestrooid. De heer Gert Botha met vrouw en kinderen kwamen er enigszins beter van af, omdat er twee van de commando leden de heer Tjaart Kruger kenden, en die vroeger op zijn plaats gewoond hadden, hun beschermd hadden door zoveel mogelijk de krijgers van hun af te houden. Botha zelf had alleen zijn jas, boven- en onderbaatje verloren terwijl van zijn vrouw haar warm baatje alleen haar van 't lijf gehaald was en een winkelhaak in haar tabbert gescheurd was.

 

Die twee krijgers brachten ons toen ook bij mekaar en met hun paarden die ze toen aan de teugels namen brachten ze ons een eind weg tussen de anderen uit, terwijl ze achter ons liepen, terwijl een hunner voor ze omdraaide aan Kruger met zijn vinger omhoog zei "Baas die God het julle gered" en er bij voegde "zoek voor julle veiligheid ons zal die ander keer om nie achter julle aan te kom". Naast God hadden we ons leven aan die twee te danken. Toen we zo een paar honderd treden van de wagens waren zei de vrouw van Botha "waar is mijn kind" bedoelende de zoon die naar de kop gevlucht was en ze werd voor een ogenblik bewusteloos, doch spoedig kwam ze weer recht, en gingen we terug langs een diepe sloot op de Drakensberg in. Nadat we ongeveer een half uur gelopen hadden kwam de zoon van Both a bij ons die de koers die we gegaan waren had gezien. Later tegen dat het donker werd kwamen ook ons volk bij ons aan n.m. de leijers en drijvers van de wagens. We gingen tot boven op de berg, en een weinig er over na de kant van Natal, waar we een krans vonden die ons er onder  zoveel schuiling gaf dat we er de nacht onder door konden brengen. We maakten maar zo goed en zo kwaad als we mogelijk konden doen ligplek, terwijl Kruger en ikzelf ons toemaakte met een schaapvel karos van een onzer knechten.

 

Dat we de nacht een ellendige koude moesten doorstaan, is wel te begrijpen, met slechts bloot een hemd aan onze lichamen en op de koude grond in de winter in rijp en zonder vuur, alleen een karos over ons. 't Is wonder dat we niet verkleumd waren tot het uiterste. Toen we dan ook de volgende dag heel vroeg met breken van de dag opstonden was ik zelf zo stijf van koude, dat ik mij bijna niet kon bewegen. Na korte beraadslaging wat te doen, werd besloten om maar al op de hoogte van de berg zoveel mogelijk oostwaarts terug te gaan om te zien of we bij mensen konden komen voor hulp. Nadat we 'n tijd zo gelopen hadden zagen wij op enige afstand een plaats, waar Kruger besloot heen te gaan. Die plaats was onder de berg in Natal en door een Engelsman bewoond. Verder wat tussen Kruger en hem plaats vond verhaalde Kruger ons toen hij des avonds weer bij ons kwam. Wij gingen maar verder onze koers. Toen Kruger nabij de plaats kwam, ging de bewoner ervan hem tegemoet met verzoek niet na zijn huis te komen omreden hij bang was dat als de tegenpartij dat te weten zouden komen dat er een Boer bij hem geweest was, hij vermoord zou worden. Kruger vroeg hem toen of hij hem dan niet aan enige kleren kon helpen, toen de Engelsman zei "ja maar blijf hier" op de plek waar ze beiden toen waren, en ging een stuk kleren in de vorm van een broek voor Kruger halen.

 

Mijn voeten, daar ik nog blootsvoets was, waren toen zo stukgelopen in de berg in de klippen en daar het gras afgebrand was, in de stoppels, dat het bloed eruit kwam.

 

Toen wij de gehele dag zo gelopen hadden zagen we in de verte vier wagens vanuit de kant van de Oranje Vrijstaat naar Natal gaan, waar ook nog een partij vee bij was. Wij stuurden van ons volk erheen, en lieten weten in hoe 'n toestand we waren, en of ze toch indien mogelijk ons konden helpen. Het zal toen zowat drie uur in de middag geweest zijn. Zodra ons volk bij hun kwam hielden de wagens stil, en wat later kwam er enen na de koers waar wij waren. We gingen toen zo aan tot we bij elkander waren. De personen van de vier wagens waren Daniel Bezuidenhout en Ignatius van Rooijen zijn schoonzoon ; Jan Koster en Hendrik Koster, beiden broeders met hun families. De persoon bij de wagen was een Koster een Vrijstater die met de andere personen uit het Harrijsmit District naar Natal vluchten. Ze hadden de vorige dag op hun plaats zich losgeschoten uit een huis bij elkander en het weinige vee dat ze bij zich hadden, en dat in de kraal was ook zo behouden, terwijl hun ander vee dat in 't veld was door de tegenstanders genomen was. De persoon die met de wagen bij ons kwam had zijn familie op de andere wagens gezet en enige kleren en koude kost meegebracht. We trokken n.m. wij die het 't meest nodig hadden de kleren aan, terwijl we op de wagen gingen en van het eten dat hij ons gebracht had gebruikte. We gingen toen alzo met hem mede tot we bij de andere wagens kwamen, en gingen zo met hun terug Natal weer in. Des avonds na het schemer werd, kwamen we aan een vlei, daar werd voor de nacht uitgespannen tot de volgende morgen (we hielden 's nachts de wacht tot de morgen), toen na enigen tijd weer ingespannen werd, en verder gingen tot we aan de Kliprivier kwamen op de plaats van Christoffel Bester alwaar vooreerst halt gemaakt werd, en rapport naar de naaste plaatsen gemaakt werd van toestand van zaken. We werden toen verder gebracht naar de plaats van de oude heer Paul Bester Sr. die destijds Vrederegter aldaar was en ons in huis opnam tot enige dagen later besloten werd om in lager te gaan staan in de nabijheid van zijn huis en een daartoe bijzonder geschikte plek, en waar al de omringende mensen daarvoor bij elkander kwamen. Vanaf deze plaats ging een patrouille blanken met trekossen, leiders en drijvers uit na de plek op Drakensberg ons onze wagens te halen die daar waren blijven staan. Ik moet nog melden dat bij de wagen van Kruger het trektouw met de jukken en drie stroppen was gebleven, het katel, de wagenkist, doch opengebroken, het watervaatje en de veldstoeltjes waren er ook nog, doch de zeilen waren weg, zo ook de zweep en al de osriemen, verder was de wagen ledig.

 

Daar werden we toen verzorgd door genoemde heer Paul Bester Sr. en wel voor zeventien dagen lang, toen wij van daar naar Utrecht in de Transvaal van plaats tot plaats met ossen geholpen werden er te komen, en waar de mensen ook in een goed versterkt lager stonden. In die tussentijd was er in de Transvaal, toen de Z.A. Republiek, een commando burgers opgecommandeerd om tegen Ceteswajo de Zulus op te trekken de dreigde de Republiek in te vallen.

 

Op zekeren dag kwam Z.Ed. de heer Paul Kruger (later de Staats President der Z.A.Rep.) met enige personen op Utrecht aan met het bericht dat het commando tegen de Zulu's in aantocht was, en dat hij zelf met een commissie vooruit ging om te zien zaken zo te regelen dat het zonder oorlog met de Zulu's kon aflopen en dat dan ook volkomen gelukte, als wanneer de commissie rapport het opkomend lager tegemoet bracht, dat zaken geschikt waren en 't commando kon teruggaan dat al tot aan Kliprivier (later Heidelberg) was gekomen.

 

In de tussentijd had de heer Tjaart Kruger bij wie ik was, een span ossen gekregen om er mee naar zijn plaats Zoutpansdrift aan de Krokodilrivier terug te gaan. Nadat de mensen ons van genoegzaam padkost voorzien hadden, en ook enige kleren, gingen we op reis naar ons tehuis terug, en kwamen bij een gedeelte van het lager dat nog aan de Kliprivier stond, na enige dagen aan, en dat toen ook terugging. Wij, Kruger en ik gingen van daar tot op de plaats Hekpoort alwaar een broeder van Kruger met name Douw Kruger woonde, die ons een ander span ossen gaf om mij met de wagen na Zoutpansdrift te laten gaan, alwaar ik de volgende dag aankwam, terwijl hij aan zijn broeder een paard gaf die daar reg over de Magalisberg met een oud wagenpad naar huis ging.

 

Na enige dagen op Zoutpansdrift gebleven te zijn, ging ik naar mijns vaders woning op Waterval (nu bijgenaamd Arnoldistad) aan de Hexrivier terug.

 

Rustenburg, 29 April 1926

J. Heystek

 

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 1

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 2

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 3

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 4

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 5

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen