Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

780947
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
63
641
2122
320200
7033
20767
780947

Your IP: 3.215.182.36
2019-12-11 01:52

Boeven en boefjes bij de familie Heijstek; deel 2

 

Was de stamvader van de Zuid-Afrikaanse familietak boos?

 

Wie kent hem niet? Jan Heijstek, geboren in Giessen op 7 januari 1816, die in mei 1862 met zijn vrouw Johanna Elizabeth Roza, vijf zonen en twee dochters per schip naar Zuid-Afrika vertrok. Niet alleen een boek, maar ook meerdere artikelen zijn in de loop der tijd aan hem en zijn gezin gewijd. Wij meenden veel, heel veel van Jan te weten, maar vonden een document waaruit naar voren kwam dat Jan zich in 1842 klaarblijkelijk heel boos had gemaakt met alle gevolgen van dien. Hij zou ene Antje Vink bij de keel gegrepen en genepen hebben, zou hetzelfde bij Nicolaas Klein gedaan hebben en moedwillig meerdere ruiten hebben ingeslagen van het huis van Johannes Havelaar in Woudrichem. Ook Jan moest ter rechtzitting verschijnen, bijgestaan door een advocaat. Vrijgesproken van een deel van de aanklacht, maar ook schuldig bevonden aan een ander deel. Resulterend in twee geldboetes van elk acht gulden en betaling van de kosten van het proces, in totaal 15 gulden en 50½ cent.

 

 

 

 

Johannes stal een broodmes maar werd wel matroos

Zo was er Johannes Marinus Heijstek, op 22 oktober 1837 geboren in De Werken en Sleeuwijk, die op 16-jarige leeftijd een broodmes had gestolen en daarvoor niet alleen een maand moest brommen maar ook een boete kreeg van 12 gulden en 95½ cent. Inderdaad, een halve cent, de boetes werden heel nauwkeurig berekend. Over deze Johannes verscheen op 16 februari 2018 een artikel op dit weblog. Hij ging dienen bij de Marine in de rang van matroos 3e klasse, ging scheep met bestemming Nederlands-Indië, werd ziek en overleed aan boord, nog maar 22 jaar oud en in het zicht van de bestemming, op een paar dagen varen van Java.

 

Loten en drinken

In het jaar dat een man twintig jaar werd, werd hij opgeroepen voor het loten voor de militaire dienst. Op de dag van de loting trokken de jongemannen naar de lotingsplaatsen. Onderweg nuttigden zij volop drank, sommigen in de ochtend al zoveel dat zij nauwelijks in staat waren zelf een lot te trekken. Na de loting gingen de festiviteiten door in kroegen, waarna de lotelingen dronken, baldadig en als vandalen huiswaarts keerden. Maar er waren ook burgemeesters die op voorhand een drankverbod hadden ingesteld ter handhaving van de openbare orde. En dat was een probleem voor Teunis Heijstek, geboren in De Werken op 28 december 1873. Hij was opgeroepen om op 4 februari 1893 op te komen voor de loting. Na de loting toog hij (weer?) naar een café en eiste van de waard een borrel. Dat werd hem geweigerd, vooral omdat ook de veldwachter aanwezig was. Teunis bleef aandringen, de waard bleef weigeren en de veldwachter maande Teunis tot kalmte en vertelde hem dat het een order was van de burgemeester. Teunis schreeuwde: “de burgemeester, daar heb ik schijt aan en aan jou ook”. Enfin, een bekeuring, een oproep om voor de rechtbank te verschijnen en als resultaat een boete van 8 gulden, voor die tijd veel geld.

 

 

 

 

 De veldwachter moest het vaker ontzien

Geertje Heistek, geboren in De Werken op 12 oktober 1864 en in 1893 getrouwd met Pieter van Brakel zou de plaatselijke veldwachter hebben mishandeld of wilde zij hem gewoon nieuwjaar wensen? De aanklacht: dat zij den 1 Januari 1902 te Werkendam den aldaar surveillerenden gemeente en onbezoldigd rijksveldwachter Simon van de Ruit heeft mishandeld door opzettelijk hem een stomp tegen de borst te geven en in den arm te knijpen.” Het kostte Geertje een boete van acht gulden en bij niet-betaling binnen twee maanden twaalf dagen hechtenis.

 

Bestuurder van een rijwiel

Het bijbehorende vonnis stond op naam van Arie Heijstek, geboren in Almkerk op 24 juli 1880 en later woonachtig in Dussen. Met het toen nog weinige gemotoriseerd verkeer was ik zeer benieuwd wat Arie zou hebben gedaan om bekeurd te worden voor een overtreding tegen het weggeld. Toch wel een ernstige overtreding, die als volgt werd omschreven: “Op 12 november 1921 op de openbaren kunstweg 21 in Meeuwen, zijnde een weg in beheer en onderhoud bij de provincie Noord-Brabant, als bestuurder van een rijwiel zonder bij zich te hebben eenige voor dat gebruik geldige tot dat rijwiel betrekkelijke rijkaart voor het destijds loopende dienstjaar bedoeld bij de verordening tot heffing van weggeld in de provincie Noord-Brabant.” Arie werd veroordeeld tot een boete van tien gulden.

 

Waar was De Rijdende Rechter?

Zou er vroeger een rijdende rechter zijn geweest dan had hij heel wat programma’s kunnen vullen met “de ondeugden” van de familie Heijstek. Echt ernstige feiten ben ik (nog) niet tegengekomen. Natuurlijk moeten de vonnissen van één tot anderhalve eeuw geleden niet worden gebagatelliseerd, het waren andere tijden. Om sommige vonnissen lachen we nu, weer andere zouden ook in deze tijden voor heel wat beroering zorgen. Soms was het eigen rechter spelen, bijvoorbeeld bij Alettinus Heijstek, geboren 1 augustus 1841 in Giessen. Met zeven collega-landbouwers stond hij in 1878 terecht voor vernieling van een hek op het terrein van A. Roza. Met vereende krachten had men “het hek met palen, spaden en hamers uit elkaar gerukt en te slaan en het slot te verbreken en de palen van het hek uit de grond te ligten en te graven”. Ter verdediging voerde men aan dat het hek “hunne en andere percelen de uitweg belette”. Tegen eenieder werd een gevangenisstraf van drie dagen geëist. Of de verstandhouding tussen deze zeven en Roza ooit nog goed is geworden, werd niet vermeld.

 

Een nog strenger beleid

Ik kreeg ter inzage het boek CRIMINALITEIT EN RECHTSPRAAK IN DE HOGE HEERLIJKHEID MIDDELHARNIS 1621 – 1811. In maar liefst 115 bladzijden werd niet alleen de rechtspraak uit die tijd besproken, maar ook de opgelegde straffen. Een naamgenoot kwam in die tijd daar niet voor, een geruststellende gedachte. Wat opviel was de hoogte van de opgelegde straffen, zeker in verhouding tot het delict. Zoals ook elders in het land, waren het ook in Middelharnis en omgeving veelal landlopers en bedelaars die zich moesten verantwoorden. In de meeste gevallen volgde een vrijspraak, in andere gevallen een verbanning voor soms langere tijd. Pas in de loop van de negentiende eeuw zouden landlopers en bedelaars voor een zogenaamde heropvoeding worden verbannen naar het Drentse Veenhuizen.

 

Een kort overzicht van een aantal in de zeventiende en achttiende eeuw uitgesproken straffen in Middelharnis:

Voor diefstal met braak werd in een geval “iemand aan de kaak gesteld”. De uitdrukking aan de kaak stellen komt U wellicht bekend voor, maar wist U dat het in genoemde tijd betekende: “misdadigers op een verhoging of schavot voor het oog van het publiek te straffen en/of door het publiek te laten bespotten.” Hierna werd de betreffende persoon voor 25 jaar verbannen. In een ander geval van diefstal als straf een geseling met strop om de hals en een levenslange verbanning. Voor een diefstal van boomvruchten “slechts” acht dagen gevangenis op water en brood.

 

Als afsluiting nog een aantal bijzondere straffen:

  • Voor ongehuwd samenwonen: een boete en tijdelijke verbanning
  • Voor het beledigen: bidden om vergiffenis en eveneens tijdelijke verbanning
  • Voor het tappen tijdens de dankdag: vijftig gulden boete
  • Voor het mishandelen van de echtgenote: zes weken op water en brood
  • Voor dronkenschap of straatschenderij: veertien dagen op water en brood, maar ook verbanning naar VOC-schepen of de grote vaart.

 

Lees ook Boeven en boefjes bij de familie Heijstek, deel 1

 

 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen