Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

557433
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
604
868
2245
94889
11971
27352
557433

Your IP: 54.92.193.89
2018-11-13 23:02

Waar blijft de tijd…….naamgenoten en hun deels verdwenen beroepen

 

In de rubriek WAAR BLIJFT DE TIJD nam ik U al eerder mee naar die zogenaamde tijd van toen. Er zijn nogal wat onderwerpen te bedenken met grote verschillen tussen vroeger en nu. Bijvoorbeeld over beroepen, er zijn er die nauwelijks of helemaal niet meer worden uitgeoefend en waarvan de jongere garde geen benul heeft wat er achter schuil ging. Maar omgekeerd zijn er de laatste decennia beroepen bij gekomen waarvan de oudere garde weinig weet heeft.

In onze genealogische bestanden wordt van alles genoteerd wat we van een naamgenoot te weten kunnen komen, in veel gevallen ook zijn of haar beroep. Aan de hand van de Heijstekfamiliedatabase is een interessante lijst samengesteld met vele beroepen en daarbij de naamgenoten die daarin als zodanig hun brood verdienden. Natuurlijk is zo’n lijst niet altijd up to date omdat veel mensen in hun carrière een aantal malen van baan wisselen en dat niet altijd bij de samensteller bekend is.

Dienstbode

De geboorte

De vroedvrouw is ook in de huidige tijd een bekende naam bij bevallingen, een vroedvrouw of baakster klinkt misschien wat minder bekend. Ook de mannelijke equivalent van een vroedvrouw komt wat minder vaak voor, maar toch kwam de vroedmeester voor in onze familie. Adriaan Heijstek (Middelburg 1809 – Koudekerke 1846) stond te boek als heel-en vroedmeester, maar ook nog als leerling chirurgijn. De baker zou men de voorloper kunnen noemen van de kraamverzorgster. Hoe mooi werd het beroep omschreven in oude geschriften: “De vroedvrouw of vroedmeester begeleidde de bevalling, de baker verzorgde de zuigeling en verluierde deze o.a., zittend in de bakermat, tenen of houten mand, door een hoogoplopend ruggescherm tegen tocht beschut. Eerst werd de baby in een linnen en vervolgens in een daarover geslagen wollen luier gesloten en daarna met een lange zwachtel van beneden tot de oksels zo stijf omwonden dat het de beentjes niet kon bewegen (het z.g. zwachtelen of inbakeren). Een en ander zou het kind voor kromme benen, lies- en navelbreuk behoeden en zorgen voor een rechte gestalte en brede schouders. Aan hen is de term “bakerpraatjes” ontleend. Door hun zeer beperkte medische kennis, klopte het lang niet altijd wat ze zeiden.”

   

 

Oudste vermelding in de familie

Meerdere namen zijn bekend van naamgenoten die ooit woonden in Bergeyk en omgeving. Zo goed als zeker bevindt zich tussen hen de voorvader van Lodewijk Heijstek die zo rond 1550 leefde in Uitwijk. Zolang nog geen verbanden kunnen worden gelegd met “die familie uit Bergeyk” blijven wij Lodewijk zien als onze oudst bekende voorvader. Eén van zijn zonen was Meeuwis die leefde zo ongeveer tijdens de slag bij Nieuwpoort, U weet wel in 1600. Van hem weten we dat hij naast timmerman ook rademaker was. Dit laatste beroep bestaat nauwelijks nog onder deze naam, maar men kan simpel redeneren wat Meeuwis deed voor de kost. Een rad is een wiel, dus was hij maker van (karre)wielen. Toch nog even terug naar Bergeyk, beter gezegd naar het nabij gelegen Budel waar eveneens rond 1600 Goort Claessen Heysteckx woonde en werkte. Hij stond bekend als voerman, iemand die een met paard(en) of ossen bespannen wagen bestuurde.

De eerder genoemde Meeuwis had een broer Lodewijk en over hem werd reeds eerder geschreven, namelijk in zijn hoedanigheid van herbergier van de bekende herberg de Roskam in Uitwijk. Een eerste publicatie stond in de papieren BIJ UITSTEK, nummer 3 van 2005, later via dit weblog op 7 oktober 2016 en 14 oktober 2017 artikelen over de herberg. Ongeveer een eeuw later leefde de in 1741 overleden Lodewijk Heijstek die van beroep waarsman was. Dat was een lokale ambtenaar, toegevoegd aan dijkgraaf of heemraden, belast met het toezicht op onder andere dijken, meestal gekozen in de dorpen en districten om bij de dijkgraaf de belangen van het dorp of district te behartigen.

 

Boerenbedrijf en landbouw

Uit de lijsten kwam een categorie naar voren, van een beroep of beroepsgroep, waarin wel heel veel naamgenoten werkzaam waren. Het betreft de landbouw en het boerenbedrijf. We komen Heijstekken tegen die te boek staan als boer, ook als boerin, maar ook zien we diverse malen een bouwman, soms een bouwvrouw voorbij komen. De bouwman is in feite gewoon een landbouwer, een akkerman, iemand die het land bewerkte en bebouwde. Hij werd geholpen door de bouwknecht, landarbeider, landmansknecht dan wel de veldarbeider. Ook bij het boerenbedrijf komen we soortgelijke helpers tegen: de boerenknecht, boerenarbeider, boerendienstmeid soms aangeduid als boerendienstmaagd. Regelmatig kwam ook de dagloner of daggelder in beeld, mensen die zich per dag verhuurden voor allerlei werk als bijvoorbeeld spitten, ploegen, zaaien en maaien.

 

De dienstbode

Als men het over de dienstbode heeft, wordt hierbij toch vooral gedacht aan het werk voor een vrouw of zoals het woordenboek aangeeft: “zij die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.” En zoals boven vermeld bij het boerenbedrijf, wordt de dienstbode ook “bij de burgers” wel aangeduid als dienstmeid, volgens deze advertentie zelfs werkmeid, hoewel dat toch minder prettig klinkt. Vroeger was het beroep veel uitgebreider, getuige de omschrijving uit de achttiende eeuw: “Dat onder sodanige domestique dienstboden begrepen te zyn alle staatjuffrouwen, gouvernants van menage ofte kinderen, inwonende naeysters, minnens, opsienders, secretarissen, pedagogen, pages, kamerdienaars, hof-ende stalmeesters, comtoir-, winkel- ende kelderknegts, winckel-dochters of meysjens, koetsiers, hoveniers, ende generalyk alle andere knechts, jongens ende maagden, hoedanig die ook mochten werden genaamt”. Vele naamgenotes waren als dienstbode werkzaam, te veel om op te noemen.

 

Franse invloeden

Van 1795 tot 1813 was Nederland door Frankrijk bezet en was het Frans de officiële voertaal. De Fransen voerden in die tijd de Burgerlijke Stand in en de akten voor onder andere geboorte, huwelijk of overlijden werden in het Frans opgesteld. Ook de aanduiding van beroepen gebeurde soms in het Frans. Zo kon het gebeuren dat Josina Heijstek (Colijnsplaat 1757 – Kortgene 1825) rond het jaar 1813 vermeld stond als maréchale ferrant. Klinkt heel spannend, maar in het Nederlands gewoon hoefsmid. Ook haar zoon Jan had toch wel een mooi beroep, hij was valet de maréchal en U begrijpt het al: hij was knecht van de smid, naar alle waarschijnlijkheid bij zijn moeder in dienst. En wat dacht U van de valet de paysan? Jan Blok, zoon van Jan Blok en Willemina Heijstek (Colijnsplaat 1759 – Colijnsplaat 1798) had in 1812 dit beroep achter zijn naam staan en dat klinkt beter als boerenknecht. Het kan nog mooier, want Jan Willemsz. Heijstek (Colijnsplaat 1743 – Colijnsplaat 1817) was journalier en dat is niets meer en niets minder dan een dagloner, meestal werkzaam bij de boer of de landbouwer. Tussen haakjes en nog even terugkomend op eerdergenoemde Josina, in 1820 werd zij ook vermeld als particuliere, een in die tijd vaker voorkomend beroep, ook bij andere naamgenoten. Het was iemand die voor eigen rekening kocht, verkocht, huurde, enz.

 

  

 

De kramers

Oorspronkelijk was een kramer iemand die allerlei waren in het klein verkocht of zoals in het Handvest van Amsterdam nauwkeuriger stond aangegeven: “Te doen ofte hanteren eenige van de neringen, hier na verklaart ende gespecificeert, te weten, Kramerije, Vettewarije, Laken-verkoopen, enz." Er waren kramers die met een soort draagmand op hun rug (een mars genoemd) bij potentiële klanten langs gingen, zo iemand heette dus een marskramer. Het is zeer wel mogelijk dat er al eerder kramers waren onder onze naamgenoten, de eerste zwart op wit vermelding komt op naam van Dirk Heijstek (Maasdam 1777 – Rotterdam 1839). Vanuit zijn geboorteplaats Maasdam trok hij over de toen nog Zuid-Hollandse eilanden, verbleef enige tijd in Den Bommel en Ooltgensplaat alvorens in 1807 naar Rotterdam te trekken. Hij was kramer in galanterieën, later koekkramer en er is een vermelding gevonden dat hij in 1834 op de beestenmarkt in Oud-Beyerland stond. Nu dacht ik dat de koekkramer wel koeken te koop zou aanbieden, maar dat is niet altijd het geval. Ik vond een afbeelding met tekst en daaruit bleek dat hij wellicht heel wat anders deed. Oordeelt U zelf:

 


 

Zijn nicht Stijna Heijstek (Hendrik Ido Ambacht 1801 – Rotterdam 1832) had wellicht het vak geleerd van haar oom Dirk, want ook zij was koekkraamster.

Twee zonen van Dirk volgden hun vaders voorbeeld, werden eveneens kramer. Jan (Rotterdam 1805 – Rotterdam 1869) en Dirk (Rotterdam 1809 – Rotterdam 1872) deden dat beiden in galanterieën, een woord dat momenteel nauwelijks wordt gebruikt en letterlijk betekende: snuisterijen om dames te verfraaien. Uit een andere tak van de Heijstek-familie kwam Cornelis Heijstek (Emmickhoven 1850 – Almkerk 1891) naar voren, bij hem als vermelding inlandsch kramer. Was dit hetzelfde beroep als de hiervoor genoemde naamgenoten? Ik weet het (nog) niet, vond toevallig dat in meerdere stambomen dit beroep voorkomt en daarover vragen werden gesteld. Ik volsta voorlopig met de officiële verklaring dat: een inlands kramer een persoon was die officieel vergunning had om met handel langs de deuren te gaan of op de markt te staan. De producten, die ze verhandelden kunnen van velerlei soort zijn. Na de Franse tijd moesten zij Patentbelasting betalen en zich in een Patentregister laten registreren.”

 

Wollen stoffen uit Tilburg

Tilburg, de stad waar veel naamgenoten, voor het grootste deel geschreven als Hijstek, woonden en nog wonen, was door de tijd heen één van de belangrijkste centra van de textielindustrie in Nederland. In 1853 stonden maar liefst 73 fabrieken van wollen stoffen in Tilburg, in 1871 bevond 75% van de totale textielindustrie zich daar. In 1960 vonden 13.000 inwoners uit Tilburg en omgeving werk in deze industrie. Maar er kwam een kentering, het aantal nam af via 10.700 in 1965 tot nog slechts 2.000 in 1980. Faillissementen en fabriekssluitingen volgden elkaar op en in 2008 sloot de zeer bekende fabriek van AaBe haar deuren en was het gedaan met deze industrie in Tilburg. Veel Hijstekken verdienden hun geld in deze industrie en ik weet zeker dat veel beroepen U niet al te bekend in de oren klinken. Zonder twijfel weet U wat een wever is, maar heeft U wel eens gehoord van een appreteerder, plessersbaas of vollersbaas? Toch waren Uw Tilburgse (bijna)-naamgenoten in deze functies werkzaam. Petronella Francisca Snellen, echtgenote van Cornelis Maria Heijstek (Tilburg 1864 – Tilburg 1941) was appreteerster. Met behulp van appretuurmiddelen als stijfsel, lijm en gelatine behandelde zij de textiel om het een aantrekkelijk en vooral glanzend uiterlijk te geven. Ludovicus C.J.F.E. Hijstek (Tilburg 1892 – Utrecht 1953) had de leiding over de afdeling plesserij bij een van de textielfabrieken. Hier werden geweven stukken gewassen. Joannes Cornelis Heijstek (Tilburg 1895 – Tilburg 1967) was werkzaam als vollersbaas. Op zijn afdeling werd het weefsel hechter gemaakt door de vezels dichter bij elkaar te brengen. Het vollen gebeurde in grote kuipen, gevuld met warm water, de zeepplant en zemelen, later gebruikte men volaarde, vet, boter of (u leest het goed) urine. Dit laatste bracht men in kruiken van thuis mee. De Tilburgers ontlenen hieraan hun bekende bijnaam “de kruikenzeikers”.

 

De sleper en thans minder voorkomende beroepen

In een van de eerste alinea’s schreef ik over voerman Goort Heysteckx uit Budel, maar er waren er meer wiens beroep daarbij in de buurt kwam. Meerdere naamgenoten werkten als koetsier, anderen als sleper. In beide gevallen bestuurden zij een wagen met paarden ervoor. De koetsier komen we hedentendage nog vaak tegen, in het bijzonder bij speciale gebeurtenissen, denk maar eens aan Prinsjesdag als de Gouden Koets door Den Haag rijdt. De sleper met zijn sleperswagen is wel uit het straatbeeld verdwenen. Het betrof hier door paarden getrokken lange, open wagens voor het vervoer van zware vrachten. Zo’n wagen werd ook wel vrachtslede genoemd, de koetsier van een vrachtslede was de sleper. Voor toenmalige straatjongens was het zogenaamde sleetje wippen achterop de sleperswagen een prachtige sport. Het woord slepen werd nog lang gebruikt, ik weet dat uit persoonlijke ervaring. Toen ik in de jaren zestig van de vorige eeuw werkte op de afdeling expeditie van een scheepvaartbedrijf en wij, uiteraard per vrachtauto, goederen van de ene haven in Rotterdam naar de andere vervoerden. In de omschrijving van de werkzaamheden werd dit altijd aangeduid als slepen.

De sleper ging wellicht langs bij de kaaiwerker, een woord dat men eerder in België zou verwachten. In bijvoorbeeld Antwerpen spreekt men niet over haven nummer zoveel maar over kaai nummer zoveel. De kaaiwerker was dus een havenarbeider. En als men dorstig was kon men langs gaan bij de tapper of de koffiehuishoudster. In het eerste geval was het een verkooppunt van bier, wijn of andersoortig gedistilleerd, het tweede geval was uiteraard beter geschikt als men daarna de wagen nog moest besturen. Onderweg kon men een kantonnier tegenkomen, deze was in dienst van de overheid en belast met het onderhoud van een weg(gedeelte). Meerdere Heijstekken waren als zodanig werkzaam.

Als laatste breng ik het beroep van schutter onder de aandacht. Met mij dacht U vast en zeker dat het te maken had met schieten. Had uiteraard gekund, maar het is hier wel heel iets anders. In veel Zeeuwse dorpen was er een omheinde plaats waar verdwaald vee tijdelijk werd gestald, de schutte of de schotte. Dit stond onder de hoede van een daarvoor aangestelde functionaris, de schotter of de schutter. Minstens drie Heijstekken mochten zich schutter noemen.

 

Reacties   

0 #1 Tes Rogers 28-09-2018 15:26
Wat 'n heerlike, interessante storie!
Citeer | Melden aan beheerder

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen