Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

1158120
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
266
369
1903
699692
635
12194
1158120

Your IP: 54.144.55.253
2021-12-02 14:02

Mijn jeugd op Noord-Beveland; deel 3

 

We gaan weer graag door met een artikel uit het boekje dat door Adriaan “Adri” Heystek (1918) is samengesteld aan de hand van brieven die zijn vader Iman Heystek (1893) schreef over zijn herinneringen uit zijn jeugd op Noord-Beveland. De vorige keer hebben we gelezen over een aantal alledaagse gebeurtenissen zoals die plaatsvonden aan het begin van de vorige eeuw. Het is aandoenlijk te lezen hoe eenvoudig en rustig het leven toen was op een eiland wat nog niet ontsloten was voor het verkeer zoals dat vandaag het geval is.

 

We laten Iman Heystek weer aan het woord:

 

Paardenknecht en rotte aardappelen

Leerplicht was er niet, dus moesten de jongens vanaf hun achtste jaar als koewachter weg. Ze verdienden niet veel. Broer Adriaan (1886) moest naar de Prinsendijk. Op achtjarige leeftijd al in het donker van huis weg en in het donker terug. Broer Izaak (1884) was weer elders geweest, maar die moest al vlug naar het land. Hij was blijkbaar nogal vlug en handig, want vader was paardenknecht en van hem kon hij dus het werk niet leren. Kee (1883) is al vlug gaan dienen; zij werd bij een boer verhuurd als dienstbode en was op haar vijftiende jaar de deur al uit. De huur zal de gulden per week wel nauwelijks gehaald hebben, maar het was tenminste wat. Vader Jan (1862) was dus zelf paardenknecht. Hij ging ’s morgens om half vier de deur uit tot ’s avonds zes uur of half zeven. Voor hem was het loon ƒ 4,50 per week met een maat tarwe en een pond boter. Wat de boter kostte, weet ik niet precies, maar meer dan tachtig cent per kilo toch zeker niet en tarwe kostte in die tijd ook maar vijf op zes cent.

 

Vader onderhield aardappelen voor een boer. Hij deed al het werk en de winst, twee van de vijf mud, was voor hem. Waren ze goed, dan kon het aardig zijn, maar waren ze slecht, dan moest hij het er ook mee doen. Naarmate wij als kinderen wat ouder werden en dus beter bestand tegen een paar kilometer lopen, kon vader het wat verder zoeken.

 

Reedulfjes

Het was de tijd dat de slootjes, de zogenaamde reedulfjes, werden dichtgegooid en de akkers gedraineerd. Zodra de buizen gelegd waren, werden de dulfjes volgereden. De bodem was goed want er had nooit iets anders opgegroeid dan gras. Het was allemaal weilandhumus. De aardappelen, die meestal het eerste jaar werden verbouwd, deden het er best, behalve als je nat weer had, want dan kwam er nogal wat rot in. Sproeien was nog onbekend. Zodra de aardappelziekte zich vertoonde, waren de mensen angstig, want men wist nog hoe in 1845 de aardappelen in één nacht zwart geworden waren. Dat was hen bijgebleven. Hiertegen geen middel hebben was heel erg. Als je destijds aardappelen verbouwde en je had 80 tot 100 mud per gemet, dan was dat heel mooi. Als men er nu geen 200 heeft, is het mis. Men werkt dan ook met heel andere soorten.

 

Deze wijze van samen aardappelen verbouwen bleek niet erg winstgevend te zijn. Veel jaren heeft vader het dan ook niet volgehouden. De boeren, al waren ze te goeder trouw, profiteerden van een groot werkmansgezin als het onze. Zomers waren ze goed te gebruiken en in de winter werd je naar huis gestuurd. Omdat vader in de winter veel werk had, zoals in het hout, was het voor hem nog wel te doen, maar een echt goed jaar is er nooit geweest.

 

Tekeer tegen de leerplicht

De school werd door arbeiderskinderen maar slecht doorlopen. Meestal moesten de jongens al vroeg koewachten of werken op het land. In de wintermaanden ging het beter. Maar voor de onderwijzers was het wel erg om in oktober weer zo’n stel vrijbuiters te moeten bijspijkeren, want ze waren een half jaar achter en meestal hadden ze er geen zin in. Onze bovenmeester kon er op het laatst geen baas meer over, zodat deze jongens in de grotere banken bij de ondermeester kwamen te zitten. Deze was heel wat mans, maar tenslotte was ook hij ten einde raad. Onze mooiste ogenblikken waren donderdags tussen half drie en half vier. Zingen! Dan brulden we allemaal mee. Ook vrijdagmiddag, een uur op het speelplein, was je ware. Toch heeft deze ondermeester het klaargespeeld drie ‘achterlijke’ kinderen, waaronder Neel (1889), het lezen, schrijven en zelfs rekenen bij te brengen.

Het klein beetje geld, dat de kinderen konden verdienen, hadden de ouders in die tijd hard nodig. Zij gingen daarom als beesten tegen de leerplichtwet tekeer. De werkgevers vonden het allemaal vreselijk. Wat moesten die kinderen met al die geleerdheid?! Toch lieten de burgers en boeren destijds hun kinderen al bijleren.

 

In de winter werd ook een avondcursus gegeven. Die heb ik ook nog bezocht, van vijf tot zeven uur ’s avonds. Kinderen die voor het landwerk van de dagschool werden gehouden, moesten van hun ouders naar de avondschool. We vonden het niet zo fijn dat zo op onze vrijheid beslag gelegd werd. Voor mij was het vaak een hele toer. ’s Morgens stapte ik met vader en mijn oudste broer naar Kamperland. Twee uur lopen was dat, want we zaten helemaal bij de duinen. Daar werkten we een hele dag in het kaphout. Koffie hadden we dan alleen ’s middags. Om drie uur zei vader dan: “Ga nu maar vlug naar school en doorlopen hoor!”. Een heel eind, zeker zo alleen. Als er aan de haven van Kamperland een wagen was, die richting Geersdijk ging, bofte ik. Dikwijls was die er niet. Thuis at je dan boterhammen, soms zoveel dat moeder zei: “Je hebt toch geen gebreide maag?” Als de school uit was, werd er warm eten opgediend, waarna het zoetjesaan bedtijd werd. Zo na negenen zag je al zelden mensen meer buiten, vooral in de winter. Drie of vier petroleumlantaarns moesten op Geersdijk de straat verlichten.

 

Ongediplomeerd keurmeester en arme katers

Als wij ’s avonds thuiskwamen, kon het gebeuren dat moeder een boodschap had gekregen of Jan Heystek nog eens bij die of die boer wilde komen, want er was geslacht. Vader was namelijk ongediplomeerd keurmeester. Op Wissenkerke was dat de gemeenteveldwachter. Woonde zo’n boer een half uur van Geersdijk af, dan moest vader toch nog gaan. Meestal stapte ik dan mee. Een appel of iets anders kreeg ik dan mee. Vader ontving zestig cent en zo was z’n dag weer goed.

 

Hij deed ook wel dingen, die eerder een veearts hoorde te doen. Arme kater of mannelijk konijn; een kater werd met een mesje behandeld, een konijn met een fijn touwtje. De wond bij de kater werd met tabak ontsmet. Als het slachtoffer uit de zak werd geschud, waar hij tijdens de operatie in had gezeten, dan was het een blazende haarbal met een enorme staart, die in zijn wanhoop een goed heenkomen zocht op de hoogste plaats in de buurt. Wij keken nogal tegen vader op. Hij was in Geersdijk door al deze ondernemingen populair.

Een meer onschuldig werkje was het scherpen van zeisen en het maken van mooie heften van palmhout voor de schêemessen van boerenknechten.

Wordt vervolgd

 

Lees ook

Mijn jeugd op Noord-Beveland, deel 1

Mijn jeugd op Noord-Beveland, deel 2 

 

 

 
 
 
 
 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen