Wij meldden het al eens eerder. Sommige Heijstekken hebben transportgenen. En dat begon al lang geleden. In de zeventiende eeuw was een Heijstek beurtschipper tussen Zierikzee en Colijnsplaat, waarschijnlijk voer hij met een poonschip, zoals hierbij afgebeeld.

 

 

 


In de negentiende eeuw was er een Heijstek in de buurt van de Haarlemmermeer, die een trekschuit had. Dat is een historisch schip met een roefje, dat door een paard, of door menselijke kracht vanaf de wal wordt voortgetrokken. De trekschuit werd gebruikt voor vervoer van passagiers en goederen.

 

 

Het schip wordt getrokken door de snikjong ook wel jagertje genoemd. Het pad waarlangs de jager loopt heet jaagpad. De lijn werd aan scheepszijde veelal op enige hoogte aan een mast vastgemaakt, zodat deze over bossages en dergelijke heenliep. Op scherpe hoeken en kruisingen van vaarten en dergelijke stonden rolpalen waar buitenlangs de lijn werd geleid om te voorkomen dat het schip daar de kant werd ingetrokken. Er werden voor de trekvaart speciale scheepstypen gebruikt. Deze moesten vrij licht zijn om zo toch enige snelheid te kunnen maken. Ze werden veelal getrokken door een paard in draf en haalden naar schatting een snelheid van 7 km per uur.


Toen de trekschuit werd vervangen door snellere vervoermiddelen, investeerde deze Heijstek in een bodewagen om het transport voor zijn klanten sneller te doen. Hieronder ziet u de eerste vrachtauto van Heijstek uit Badhoevedorp. Hebben sommige Heijstekken dan toch diesel in hun bloed?