Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

506108
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
47
876
2432
43310
11981
22863
506108

Your IP: 54.92.174.226
2018-08-15 01:17

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 3

Het betreft hier een vrijwel letterlijke transscriptie van het document dat eigenhandig door Jan Heijstek in Afrika is opgesteld. Slechts enkele woorden zijn aangepast aan het hedendaagse Nederlands.

Zijn eigenhandig geschreven levensverhaal.

 

De jaren als Landdrost, oorlog in Zuidelijk Afrika

In 't jaar 1880 nadat alle pogingen om de annexatie van Transvaal door de Engelse in 1877 gedaan vernietigd te krijgen door constituële middelen werd besloten de vrijheid van ons volk door het zwaard te laten beslissen. En daar wij op de bewoonde grenzen van ons district woonde wat blanken betreft, en nabij de stam van Lintcue te Saulspoort zijn, en de locale bewoners mogelijk van de gelegenheid de Engelse te helpen, zoals we ongelukkig later ondervonden hebben, gebruik konden maken, besloot ik met mijn familie naar Sterkstroom te gaan met achterlating van de boerderij en vee onder zorg van het personeel in mijn dienst.

Daar de burgers besloten hadden niet langer met "asjeblief mijnheer" verzoekschriften Engeland te naderen was het onnodig dat er gecommandeerd werd, elke vaderlandslievende burger kwam zelf te hulp, alleen de grensbewoners moesten achterwege blijven. Zo werd te Heidelberg de Vierkleur gehesen, de Regering opgericht en de Engelse te Pretoria door een Proclamatie in kennis gesteld. Wij werden mondelinge verzocht Rustenburg te nemen alwaar ook een kamp met Rooibaatjes bovenkant 't dorp was en die vast moesten houden. Hier hadden slechts schermutselingen plaats vanuit het kamp en op het kamp. Hierbij gebeurde het dat een der onze door onvoorzichtig zo niet roekeloos van uit het kamp doodgeschoten werd door uit een klein huis elke maal als een schijf te gaan en op het kamp te schieten.

 

De heer Sarel Eloff Sr. vroeger vermeld was als Commandant aangesteld. Ik zelf werd adjudant over een wacht van 12 personen, om vooral des nachts patrouille om het kamp zekere afstand af te rijden, en later om in de wijk Hexrivier een oog over de plaatselijke bewoners te houden met een aantal burgers. In maart kreeg ik de zinkkoorts in der rechter heup en werd op verlof gezet. Nadat mijn been van boven de knie tot aan de heup door de eerwaarde Ch. Muller op Kroondal met een Duits instrument behandeld was en met olie daarbij goed ingewreven, ging ik terug na Sterkstroom, en na acht dagen tijd was al het kwaad dat in het been was bij een plek tot een zweer bij elkaar getrokken en na twintig dagen open gemaakt met een lancet. Dat instrument werd levenswekker genoemd en was een veer die aan 't ondereind vol naalden was. Ik liep al die tijd met een stok en kon net om het huis lopen wegens de pijn en de gezwollen toestand van het been. Van toen af gebruikte ik gekookt gerstwater en na omtrent bijna een jaar lang was de zweer eerst toegegroeid. Het teken van een halfkroon ze groot draag ik nog.

In april 1881 werd de vrede gesloten met de Engelse en keerde de burgers naar hun plaatsen terug, toen ik ook begin mei naar mijn plaats van Sterkstroom vertrok. Daar aangekomen vond ik alles in heel goede orde. Ik begon weer op kleine schaal te boeren totdat ik in de maand mei 1882 aangesteld werd door het Gouvernement als Klerk en Secretaris bij de Commissaris van Naturellen die tevens Commandant van het district was. Ik moest zo goed als het kon een kantoor inrichten en aan het werk gaan. Daar door de Vrijheidsoorlog alle zaken waren blijven staan, moest alles weer opnieuw opgericht en in orde gebracht worden. Het kantoor werd op de plaats Wijdhoek van de Commissaris opgericht en wanneer we niet op reis onder de verschillende stammen in 't district waren om de hutbelasting in te vorderen, moest ik elke week zoveel dagen als het werk vorderde van mijn plaats er heen gaan. Mijn salaris bedroeg £125 per jaar. Na zes jaren dienst werd mijn salaris met £25 verhoogd zodat het £150 werd. Dat er werk genoeg voor mij was kan ik wel zeggen. De gehele administratie zoals boekhouden, staten opmaken, de verschillende correspondenties met het Gouvernement, de Superintendent van Naturellen, de Commandant Generaal, de verschillende Veldcornetten en hun assistenten met de kapiteins, en nog honderd andere zaken lag uitsluitend zonder enige uitzondering voor mijn rekening. Dat ik zo het werk zeven jaren lang zonder enige klerkelijke hulp doormaakte, is dan ook geen wonder dat ik in mei 1889 voor dat werk bedankte. Vooraf had ik echter mijn echtgenote geraadpleegd, die haar toestemming volkomen gaf. Een eervol ontslag werd mij door de heer H.P. Malan ter hand gesteld voor gedane diensten.
 

Ik was zo vrij als een vogel in de lucht. Doch weinig wist ik hoe ik nog door Gods bestuur tot hogere diensten geroepen zou worden. Intussen had de Commissaris een andere klerk bij hem aangesteld. Toen het op 't dorp Rustenburg bekend werd dat ik bedankt had voor de dienst schreef de Landdrost J.C. Brink mij een brief over te komen, daar hij mij wenste te zien. Ik zadelde mijn paard en ging erheen.

Mij werd aangeboden het klerkschap op zijn kantoor, omdat de plaats daar open was en tijdelijk door iemand anders opgevuld was. Ik vroeg uitstel voor 14 dagen er over te denken. In die tijd was mijn oudste dochter gehuwd, en ook had ik een ongetrouwde zwager Stef. Petrus Erasmus bij mij in huis sedert de dood zijner ouders. Na overleg met de familie nam ik de post aan, niettegenstaande de President er tegen was dat ik bedankt had bij de Commissaris, die zei hij zonder mijnheer Heijstek niet zou klaarkomen. Doch Generaal Joubert deed de schaal overslaan in den Uitvoerende Raad door te zeggen, "Heijstek alleen heeft de post verdiend, en moet aangesteld worden". De lezer verschone mij dat ik dit hier meldt, en tot eer van wijlen de Generaal dit aanhaal.

Zo ging ik dan met slechts veertien dagen uit de dienst te zijn geweest een nieuwe betrekking aanvaarden. Hier was ook veel werk doch het werk was verdeeld tussen ons, en ook soms non-klerkelijke hulp. Mijn salaris was nu £50 per jaar dat later opging tot £436. Mijn aanstellingen waren : Klerk van de Landdrost, Publieke Aanklager, Zegel- en Magazijnmeester, Vrederegter en bij afwezigheid van de Landdrost als waarnemend Landrost. Hier diende ik in die positie negen jaren tot april 1898 toen ik een telegram van de Staats Secretaris kreeg om mijn zaken over te geven aan de heer T.C. du Plessis die onderwijl als tweede klerk al een tijdlang ageerde, en naar het district Zoutpansberg als w.n. Landdrost te gaan. Het district was toen nog niet in twee delen gesplitst. Als een donderslag uit een schone lucht kwam dat bericht vallen. Mijn alles in Rustenburg en district te moeten verlaten... doch vertrouwen door de Regering in mij gesteld, deed mij gehoorzaam zijn.

Nadat ik al mijn zaken in Rustenburg in orde gebracht had vertrok ik in mei per postkar naar Pretoria. De volgende dag zou de vierde maal de inzwering van Z.H.Ed. S.J.P. Kruger plaats hebben als Staats President. Ik kreeg verlof van Z.Ed. Reitz om die dag bij te wonen, daar ik vroeger geen zo'n gelegenheid nog bijgeweest was. De vorige dag was ik in het Uitvoerende Raadskantoor voor de volle Uitvoerende Raad ingezworen, en had de eed in handen van S.H.Ed. de President die mij zelf de eed nam afgelegd. Na de Presidents inzwering had plaats gehad vertrok ik met de Z.A.S.M. trein naar Pietersburg. Van Pretoria per koets tot bij Naboomspruit, van daar per trein. Daar ging ik in dienst als waarnemend Landdrost op 16 mei 1898. Er was toen een flinke 1e Klerk in dienst in de persoon van J.F. de Vreije Smit met welke ik al den tijd die ik er werkzaam was aangenaam samen gewerkt heb. Dat we onze handen met werk vol genoeg hadden behoeft niet gezegd te worden. Zo werkte ik dan tot in de maand augustus toen ik een schrijven aan de Staats Secretaris richtte om een Landdrostverkiezing voor het district Zoutpansberg uit te schrijven, ten einde ik kon te weten komen of ik er permanent moest blijven. De Landdrosten werden in de Z.A.R. door de burgers gekozen, uit een tweetal personen door de Regering gesteld. De verkiezing werd bepaald voor de volgende septembermaand. In dien tijd vroeg ik verlof om naar Rustenburg te gaan, omdat ik zelf mij er niet mede wenste te bemoeien. Op een vraagmij door iemand gedaan waarom ik nu juist in die tijd op verlof ging, antwoordde ik eenvoudig "De verkiezing is in handen van de burgers van Zoutpansberg, ik wil mij geheel er buiten laten, word ik niet gekozen dan ga ik naar mijn district terug en ga naar mijn plaats, ik behoef desnoods niet voor ambtenaar te spelen ". Ik had eigen plaats met vee en eigendommen ten dorpe Rustenburg. Na afloop der verkiezing bleek dat op mij 353 en op mijn tegenkandidaat 28 stemmen waren uitgebracht. Voor de tweede maal moest ik toen te Pretoria in het Uitvoerende Raadskantoor ingezworen worden, en wel als nu verkozen Landdrost van Zoutpansberg.

Tegenwoordig was de gehele Uitvoerende Raad te weten: S.H.Ed. de Staats President Kruger, Z.E. Gestr. de Commandant" generaal P.J. Joubert, Z.Ed.J.H.M. Kock, Z.Ed.P. Cronjé, Z.Ed. Schalk Burger, Z.Ed. Jac Wolmarans, Z.Ed.A.D.W.Wolmarans, Z.Ed. de Staats Secretaris Reitze de heer P.G.W. Grobler. In welke functie de heer Grobler toen was kan ik mij niet meer herinneren, of hij moet toen al Onder Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken geweest zijn.

Na ik de eed had afgelegd werd ik door elk hunner de hand met gelukwens geboden, en mijn formele aanstelling schriftelijk door Z.H.Ed de President overhandigd, met de woorden: "Jij moet mijn mensen goed behandel", waarop ik antwoordde: "President, ik hoop met Gods hulp mijn plichten te gaan doen".

Zo bleef ik daar in dienst tot de dag dat ik de Boeren-Engelse oorlog Pietersburg genomen en ik naar 't veld vertrok. Na ik verkozen Landdrost was had ik mijn familie en meubels naar Pietersburg gebracht alwaar ons een zware slag trof in de maand december, toen onze jongste zoon Abraham (I4290), 17 jaren oud stierf, twee dagen nadat hij daar aangekomen was, en wel aan 't water waar hij lange tijd aan lijdende was geweest. Nog denk ik met dankbaarheid aan het afsterven van hem, dat hij na van ons allen met zijn volle verstand afscheid genomen te hebben, de beide armen ophief met de woorden: "Kom Heere Jezus, kom haastiglijk", waarop hij kalm en zacht stierf. Veel sympathie mochten we van de mensen bij 't afsterven en de begrafenis ontvangen. Aandoenlijk ogenblik voor ons nimmer te vergeten geweest, smartelijk voor 't verlies voor ons, zo'n veelbelovende jongeling voor ' t Vaderland als hoop te moeten verliezen, doch verzacht werd de smart dat hij als een Verbondskind onder Gods genade de eeuwigheid mocht ingaan. Hij werd te Pietersburg in 't oude Kerkhof begraven (Begraafplaats). Daar rust hij tot de dag der opstanding.

In dien tussentijd was de oorlog met Impéhfoe in die Zoutpansberg uitgebroken, die binnen korte tijd Z.Ed. Gestr. de Commandant Generaal met de Artilleristen en de burgers de berg uitgejaagd werd en met zijn aanhang na Rodesia vluchten. Later werd Impéhfoe met zijn saamhang in die Boeren-Engelse oorlog door en met behulp van Engelse Officieren naar zijn verlaten schuilplaats teruggebracht. Enigen tijd bleven de Artilleristen onder de Overste Colonel Stefanis Triegaardt de berg bewaken, doch konden later terugtrekken naar Pretoria.

Enige tijd daarna kwamen er moeilijkheden tussen de leden van een zekere stam in 't gebergte nabij Pietersburg dat aan de Regering door de Naturellen Commissaris van Klipdam de heer Oscar Dahl gerapporteerd was. Een telegram door de Staatssecretaris aan mij gericht bevatte de opdracht om een vertrouwd persoon met mij te nemen en persoonlijk onderzoek te gaan instellen, en na bevinding van zaken rapport aan de Regering te zenden. Ik verkoos daartoe de heer H.C. Janse van Rensburg, Commandant van het district die de plaatselijke taal goed sprak en verstond, terwijl ik ook enige van de politie van Leijdsdorp opdracht gaf ons bij de kraal de bewoners te ontmoeten. Daar de opdracht mij gegeven geheel confidentieel was vertrok ik met de commandant per rijtuig met twee flinke rij- en trekpaarden de eerste dag tot zover het rijtuig gebruikt kon worden en bleven de nacht bij een zekere persoon die daar woonde over. We waren door Cheunispoort gegaan in de richting van Olifantsrivier, de scheiding van Middelburg en verder Lijdenburg en Zoutpansberg districten. De volgende dag gingen we te paard met een gids bij ons de bergen in, alwaar we langs een voetpad de meeste tijd achter elkander moesten rijden, door dichte Turkse vijgenbossen sommige afstanden, en zo zonder dat we een ogenblik verzuimde 's middags van de berg afkwamen. Daar ik door de gids toen we nabij de kralen waren hun de bewoners liet weten dat ik er heen kwam op order van de Regering, kwamen we voor een rivier die daar nabij uit de bergen kwam. De naam der rivier kan ik mij niet meer herinneren, wel weet ik nog dat het een sterk en prachtig water was. Daar de gids met bepaalde spoed gelopen had om de boodschap de bewoners te brengen, stond de ene partij van hun al goed gewapend op de kant van de rivier, en terwijl wij de rivier te paard doorgingen schoten zij enige schoten in de lucht af.

Dat mijn gevoel op dat ogenblik een weinig koortsachtig was wil ik niet ontkennen, want behalve een klein zakrevolver dat ik bij mij had, waren wij totaal ongewapend. Zij, de stamleden waren met meiden en partij kinderen daar bij hun ons zo in te wachten. Toen we bij hun kwamen liet ik door de Commandant van Rensburg hun vragen wie de kaptein van hun. Ze zeiden dat die in de stad of kraal was, waarop ik zei: De Regering heeft mij gestuurd. Ik moet hem zien, hij moet hier komen. Tot tweemaal toe kwam hij niet, en liet weten dat hij bang was om te komen. Toen ik hem uitdrukkelijk ten derde keer liet weten dat niets aan zijn persoon zou overkomen, kwam hij zo stadig aan te voorschijn. De naam van hem was Maféfeh. Ik vertelde hem dat de Regering te Pretoria gehoord had van zekere onlusten hier onder hun en dat ik gestuurd was om te zien en te horen de oorzaak ervan. Doch daar het al laat op de dag was zei ik hem dat hij de volgende morgen met zonop over de plaat of platte rand waar de andere stad lag moest komen met zijn aanhang - doch ongewapend - dan zou ik hun klachten vernemen. Ik en de Commandant. Wij gingen toen de rand over en kwamen bij een klein gebouw wat aan een Duitser behoorde en waar hij een winkel in hield. Hij was evenwel naar Pietersburg gevlucht. Intussen waren er van de politie die ik besteld had een paar aangekomen. We maakten de winkel open en bleven er die nacht in over. Daar de winkel nu direct aan de grote stad of kraal stond liet ik de kaptein er van ook roepen, die aanstonds kwam (met enige indunas) in de persoon van H.M. de meidkaptein met name Manamagoeba, een eigen zuster van de vermaarde kaptein Secoecoeni, die de Z.A. Republiek en ook later de Engelse in de tussenregering zoveel kastanjes uit 'n vuur heeft laten halen. Zij was de echte regerende kaptein van dat volk op die plaats. Ik liet ook haar zeggen het doel waarvoor ik door de Regering gestuurd en gekomen was, en kwam met haar en haar induna 's overeen nog dezelfde avond haar zaken te horen. Ik had voor ik van Maféfeh ging, hem de opdracht ook gegeven om mij en de Commandant die nacht van zijn kant te bewaken, en haar gaf ik dezelfde order zodat we die nacht tussen twee wachten waren. Zie hiervoor. Tegen dat het donker werd stuurde hij ons een slachtbok, en zij de meidkaptein een slachtschaap, zodat de politie met ons genoeg ervan hadden te gebruiken.

Daar nu net voor de plek waar we toen waren een groot Turkse vijgenbos was, stond haar wacht die ons van haar kant beschermen moest in dat bos gedurende de nacht. Nadat we gebraden vlees en andere dingen uit de winkel gebruikt hadden, kwam de meidkaptein met haar indoena's en bij kaarslicht in de winkel liet ik hun de verklaringen afleggen, waarvan ik notulen hield. Na afloop er van had ik haar gezegd dat ik de volgende morgen de andere partij besteld had te komen, en dat ze dan met haar gevolg niet moesten komen, totdat ik ze zou laten roepen. Op de bestelde tijd was de andere partij aanwezig, nam ook die de verklaringen af, en liet ze toen roepen. Ik had de paar politie manschappen order gegeven door de commandant elke partij afzonderlijk te houden, daar wij tussen de twee rijen zouden staan.

Hier moet ik eerste de oorzaak van de onlusten beschrijven. De verklaringen van beide zijden blijven in de pen. De oorzaak van de onlusten was als volgt: zoals gezegd was de meidkaptein Manamagoeba de echte regerende kaptein van de stam, die een minderjarige zoon uit koninklijk bloed had, doch nog te jong om te regeren. Maféffe die ook haar kind en ouder was, doch van zijn vaders kant uit geen koninklijk bloed was, zoals dat zoveel "in die ou wéreld gebeur" eigende hem de Regering toe ondersteund door een zekere partij die zijn volgelingen en aanhangers waren. Hij, Maféhfe, verliet toen de stad van Manamagoeba en ging een afzonderling stadje bouwen aan de andere zijde van de rand en werd daar kaptein van zijn volgelingen zonder enige toestemming der autoriteiten. Nu wilde het geval dat de Turkse vijgen die aan 't bosch bij de oude stad eetbaar waren of rijp werden (voor de winkel welke ik reeds noemde) dat het volk van Maféffe er met mandjies heen gingen om daarvan voor hun gebruik te nemen. Dit belette het volk van Manamagoeba, doch de andere partij wou zich niet laten beletten en het liep zo hoog dat het van woorden tot daden kwam. De partij van Maféffe uit wraakzucht gingen de beesten in 't veld, de meiden en kinderen van de andere partij vatten, de tegenpartij deed 't zelfde, soms spraken de wapens van weerszijde een woord mede, zodat er een oorlog op kleine schaal aanwezig was toen ik en de commandant er aankwamen. Nadat de twee partijen zoals boven gezegd bij elkander kwamen wilde ze met woorden elkander verwijten en beledigen, en ook gebruikte ze dreigementen tegen elkander, en kwamen aan weerszijde van ons zo nabij elkander dat ik dacht "Ze spoken net nou". Het was wel een bijzonder geluk, om het zo uit te drukken, dat ze elkander niet te lijf gingen want ze waren ten dien tijde alles behalve beschaafde Naturellen in 't Zoutpansbergse. Met moeite kon de politie ze van ons lijf houden doch gelukkig op een woord van de commandant in hun eigen taal bedaarden ze. Ik sprak de beide partijen toe n.m. door de commandant als tolk dat ik gekomen was om ook zo als mijn plicht was als Landdrost van het district hun te waarschuwen dat ze liever vrede met elkander moesten maken, dan verdere moeilijkheden, daar de Regering niet zou toelaten dat ze elkander zouden vernielen. Ik kreeg het toen zo ver dat ze de meiden en kinderen die ze van elkander genomen hadden teruggaven in onze tegenwoordigheid, en beloofde tegen elkander geen wapens meer te zullen opnemen, en dat elk der partijen zich verder zouden stil houden. Daar het vee van elkander afgenomen te ver van de plaats was, werd later de Commissaris van Naturellen van dat wijk opgedragen die zaak met hun te regelen.

Toen was mijn opdracht in zover volbracht, en we gingen na Pietersburg terug van waar we ons rapport aan de Regering afzonden. Later in de Boeren-Engelse oorlog is Maféffe met zijn aanhang na ik vernomen heb door Secoecoeni ten onder gebracht.

Zo bleef ik werkzaam aldaar tot in 1899 de toestand tussen de Republiek en Engeland een donkere kleur begon te verschijnen wegens Internationale zienswijze dier beider Regeringen, dat uiteindelijk, daar geen der beiden partijen meer wilde toegeven, daarop uitliep dat door de Regering der Z.A. Republiek met toestemming van het Volk des lands en de Edelachtbare 1e en 2e Volksraden besloten werd ons goed recht door het zwaard te laten beslissen. Toen nu het land in staat van beleg was verklaard, werd het voor ons als de Civiele Ambtenaren dubbel moeilijk het werk te doen, omdat na de afkondiging van de Krijgswet alle ambtenaren ook daaronder kwamen te staan. Ik werd behalve mijn ambt dat ik beklede ook nog tot Lid van verschillende Commissies benoemd. Dat was in september van dat jaar toen al uit Zoutpansberg en Waterberg een sterke afdeling burgers onder hun officieren naar de noordergrens vertrok, om de Engelse vanuit Rodesia voor te komen. Ook kwam er een afdeling van de Artillerie met kanonnen onder hun officieren na de grens. De avond van de 1e oktober, na het ultimatum aan Engeland door de Regering was gezonden kreeg ik tussen 9 en 10 uur een telegram "Oorlog uitgebroken", ik was al in mijn kamer toen een Constabel bij mij aanklopte en het bracht. Zo was na zoveel toegeven aan Engeland door ons de zaak beslist.

 

Wordt vervolgd.

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 1

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 2

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 4

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 5

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 6

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen