Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

534193
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
313
778
313
74183
16096
20533
534193

Your IP: 54.224.247.42
2018-10-21 07:27

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 2

Het betreft hier een vrijwel letterlijke transscriptie van het document dat eigenhandig door Jan Heijstek in Afrika is opgesteld. Slechts enkele woorden zijn aangepast aan het hedendaagse Nederlands.

Zijn eigenhandig geschreven levensverhaal.

 

Zijn jonge jaren in Zuidelijk Afrika tot het overlijden van Jan Heijstek sr.

In de maand april 1863 vertrokken we naar de plaats Waterval aan Hexrivier nu Arnoldistad genoemd, welke toen het eigendom was van een persoon met name Johannes Hendricus Venter, die aan vader een stuk grond voor zaailanden met het recht van water en weideveld present gaf. Mijn vader was intussen in een tweede huwelijk getreden met een dochter van Petrus Johannes du Plessis en Sophia Aletta Venter. De naam van die dochter die toen mijn stiefmoeder werd was Hester Maria du Plessis welke door genoemde Johs. Hendricus Venter was grootgebracht. Tegen het einde van het jaar 1863 werd er weer gecommandeerd door de Krugerpartij tegen die van Pretorius en ook vader werd aangezegd om met een ammunitiewagen en enige andere burgers naar Potchefstroom van Rustenburg te vertrekken. Op het Hoogeveld ten Zuiden van Magaliesberg aangekomen zijnde (Rustenburg ligt noord van die berg) kwamen zij iemand tegemoet met bericht dat Paul Kruger en Sarel Eloff de veldcornet van de wijk Zwartruggens naar de Oranje Vrijstaat doorgevlucht waren omdat de partij van Pretorius toen te sterk voor hun partij was, en ze Kruger trachtte te vangen en dat ze de ammunitie op bevel van Eloff waar ze die zouden krijgen op pad in 't water moesten gooien om die zo te vernietigen. Dit is histories mij door mijn vader destijds verteld. Bij geval was er een zekere H. Collins van Rustenburg ook bij de wagen. Hij zei toen "daar sal niks van kom, als ik die spul siet aankom, Heijstek en julle kêrels ge ver genoeg pad ver julle lijf, en ik zal op die wakis gaan zit, en as hulle dig genog bij die wa is zal ik die lont in die kruit steek en hulle almal met mij laat opvlie". Doch de andere partij ging niet naar Rustenburg en zo bleef de wagen met ammunitie behouden en werd naar Rustenburg terug gebracht. De onlusten onder de burgers bleven zo aanhouden tot eindelijk in januari 1864 er een einde aan kwam.


In 't jaar 1864 nu dat politieke zaken een betere wending genomen hadden werd er op de plaats Waterkloof nr. 4 destijds 't eigendom van de heren Kruger en Jacobus Schoombe (later is de plaats in 't geheel aan Kruger in eigendom gekomen) op 't gedeelte van Kruger toen door hem bewoond een school opgericht aan het hoofd ervan benoemd werd Nicolaas Jacobus Reinier Swart welke in later jaren eerst predikant der Gereformeerde Kerk te Pretoria en later Gouvernements Secretaris onder President Thomas Francois Burgers werd. Dat was ongeveer in april 1864, de onderwijzer kwam uit de Oranje Vrijstaat. Ik zelf werd aangesteld als ondermeester en had een aparte klas onder mij waarvan sommige dezelfde ouderdom als ikzelf hadden. Na zes maanden tijds werd de school naar Rustenburg verplaatst en daar ik geen zin had daarheen te gaan, wenste ik op omtrent 16-jarige ouderdom toen ik ook als burger op de Veldcornets lijst ingeschreven werd, mijn eigen pad door de wereld te zoeken

.


In begin oktobermaand was er bij onze kerk op 't dorp Nachtmaals gelegenheid en onder anderen die naar 't dorp daarvoor met hun families kwamen was ook de heer Tjaard A.P. Kruger ouderling der gemeente per ossenwagen van Zoutpansdrift bij Krokodilrivier gekomen. Dezelfde plaats waar in 1914 de burgers in de opstand een gevecht gehad hebben en de Regeringspartij door Jan du Plessis (Rooi Jan) op de vlucht gejaagd zijn. Hij was een broeder van Paul Kruger. Toen hij vernam dat de school naar Rustenburg verplaatst zou worden, en zijn kinderen die op Waterkloof ook in school waren niet naar 't dorp wenste te doen gaan, vroeg hij mij mede naar zijn plaats te gaan om daar een school op te richten, en dat ik met toestemming mijns vader aannam. Daar gekomen werd een grote huiskamer voor dat doel ingericht en met tien kinderen begon mijn boerenschoolmeesterschap tegen £3- per maand en vrije inwoning, terwijl ik nog een stukje land omtrent 'n half morgen om buiten school tabak op te planten er bij kreeg. Onze schoolbanken waren geelhout planken uit Zoutpansberg afkomstig die op bokken of schragen stonden, papier was schaars, inkt maakten we van granaatschillen, pennen van ganzenveren, griffies van zachte klip, potlood van staafjes lood die in dun riet gegoten werden, enzovoort. Zo werkte ik dan met behulp van onze destijds primitieve middelen tot de maand mei 1865. De schoollessen bestonden in openen met een psalmvers zingen, kort gebed, lezen in een boek of spellen al na gelang van kennis, schrijven op papier als er was en op de lei. Eerste begin rekenen, Bijbelse geschiedenis, kort begrip catechismus vragen, en sluiten met gezang en gebed. De schooluren waren van 9-12 v.m. en 13-15.30 n.m. van maandag tot vrijdag.

 

In de maand mei ging de heer Kruger met een vracht tabakrollen op tocht zoals dat toen genoemd werd naar Pert Natal. Op mijn verzoek mede te gaan, daar ik ook wat rollen tabak had gaf hij toestemming. Daar het plan bestond om recht door naar Pieter Maritzburg te gaan, werd dat verhinderd daar de ossen die hij voor de wagen had door de scherpe koude zeer afvielen en hij dus besloot naar Ladysmith te gaan (Beroemd uit de Eng. Boeren oorlog). Daar aangekomen werd de hele vracht aan een winkelier verhandeld en keerden we terug. In Ladysmith werd ons gezegd om als we de Drakensbergen over en in de Vrijstaat zouden gekomen zij des avonds onze ossen niet te ver van de wagen te laten weiden, want dat er enkele Basuto's rondliepen die mogelijk de ossen konden stelen. De eerste zondag vanaf Ladysmith lagen we stil over tot tegen den avond toen we tot onder Drakensberg op pad na Harrismit kwamen en daar mensen van Transvaal kregen die er uitgespannen waren en van Pieter Maritzburg kwamen. De volgende dag vroeg voor dagbreek spande we in en gingen verder tot we op een groot Commando Basuto's allen te paard en goed gewapend afkwamen die de berg af Natal gebied ingingen, welke dag we beroofd en door Gods genade er nauwelijks met ons leven uitgekomen zijn. Het was op de 27e juni 1865 dat ons die ramp overgekomen is. Omdat ik die gehele geschiedenis ervan vroeger beschreven en aan mijnheer Malherbe die bij de oprichting van de brandwacht destijds aan 't Volkstemkantoor bezig was gegeven heb voor ’t vermelden van een stukje geschiedenis er van voor ons volk, ga ik er nu niet verder op in. Genoeg zij gezegd dat toen we in augustus thuiskwamen een commando uit de S.A. Republiek na Basutoland ging en de stamleden van Moshesse een goed pak slagen gegeven hebben, en met heel wat buit aan beesten, paarden, schapen en bokken terugkeerde.

 

Enige tijd daarna ging ik naar de plaats Middelkraal bij de heer Louis Stefanus Kruger een neef van Paul Kruger een school opzetten. Het was in die tijd dat sommige boeren met hun vee voor winterveld 't Boschveld introkken, dat later jaren lang gebeurde. Ik bleef er tot de winter van 1866 toen hij met zijn vee na 't Boschveld aan de Krokodilrivier ging trekken en ik naar huis terug ging. Ik was evenwel niet lang bij huis of werd gevraagd weer een school te beginnen op de plaats Waaikraal aan Sterkstroom en wel bij de oude heer Daniel Elardus Erasmus die later mijn schoonvader werd. Hier had ik twintig kinderen onder mij en kreeg behalve vrije woning £6 per maand per kind schoolgelden, zodat mijn verdiensten voor die tijd gerekend goed waren en waarvan ik tot op den tijd van mijn huwelijk de helft aan mijn vader gaf uit dankbaarheid voor hij zoveel als kind aan mij ten koste had gelegd. Na enige tijd hier te zijn geweest ging ik naar de heer Hercules Philippus Malan destijds Veldcornet van wijk Hexrivier op de plaats Rincojaalskraal. Zijn vader was gesneuveld bij Dingaan alwaar ook een broeder van hem viel tezamen met Pieter Uijs en diens 14 jarig zoontje Dirk. Hij had mij speciaal voor zijn eigen drie jonge kinderen en een paar kinderen van zijn bijwoners genomen om die onderricht te geven. Daar was ik in dienst van september 1867 tot april 1868. Intussen was ik verloofd geworden aan Anna Maria Erasmus, de oudste dochter van de heer D.E. Erasmus bij zijn derde echtgenote, wier geboren naam Helena Catriena Malan was en wier vader ook in het gevecht met de stamleden van Dingaan met Pieter Uijsgesneuveld was. Zij was een dochter van Jacobus Malan en Anna Maria Kloppers. De naam mijner verloofde was die van haar grootmoeder Anna Maria. Daar we nu al geruime tijd verloofd waren besloten we in 't huwelijk te treden en op den 20e apri l 1868 traden we in het huwelijk, waarvan nog heden terwijl ik hier schrijf (de 27e oktober 1925) zeven kinderen leven en vijf door de dood weggenomen zijn. Nadat ik een maand gehuwd was werd ik met die burgers van Rustenburg district gecommandeerd om tegen de stam van Mapela in 't Waterberg district te gaan vechten, die in 't genoemd district op mensen geschoten en vee geroofd hadden. Ik woonde die tijd bij mijn schoonouders op de plaats en deed geen beroep op de overheid om volgens de Mozaïsche wetten verschoond te blijven omdat ik een vrouw getrouwd had. Bij ons op de plaats werd nog één persoon n.m. Koos Kloppers gecommandeerd.


Bij de Magaliesberg Zoutpan kwamen het Rustenburg en Potchefstroom commando te samen terwijl die van Pretoria bij Platrivier nabij Pienaarsrivier er bij kwamen. Van hier ging het door Waterberg op het doel af. Dit was het eerste commando dat ik bijwoonde tegen de oorspronkelijke stamleden in de Republiek. De namiddag toen we onder de berg bij Mapela aankwamen werd er door de plaatselijke bewoners een grote rode beestbul buiten de hoofdschans gebracht, ten teken dat ze voor vechten gereed waren en dat wij van onze kant ook zo 'n bul konden aanbrengen om de krachten te meten. Het lager werd in een ronde vorm getrokken met een grotere en een kleinere poort. De nacht ging stil voorbij, de wachten om het lager dat uit een 200 tal wagens bestond behoorlijk uitgezet nadat de avond elke persoon die moest uittrekken de volgende morgen tegen vijf uur gereed moest zijn. Wij waren zeven personen bij onze wagen, als maats. Toen we de morgen uittrokken en we de poort van het lager uitgingen zei een van ons, een zekere Snijman, "Veldcornet hier verlaat mij hart mij", waarop de veldcornet zei: "Draai om en loop sit onder die wa op jou veldstoeltje en pas die wa op". Historisch, 't was een van onze wagenmaats.


Het was nog schemer donker en na een grote afstand langs de berg gegaan te zijn, beklommen we dien waar de verste afgelegen schansen waren om van daar de hoofdschans te naderen. Wij waren dan ook nog niet goed op de plaat die de berg daar maakt, of uit de eerste kleine schansen schoten de tegenstanders op ons, doch hun moed was zo dat ze dadelijk uit de schansen sprongen en neergeschoten werden. Zo ging het al vechtende op de grote hoofdschans die van klippen en vierkant hoog met schietgaten gebouwd, en op de punt van de berg lag af, intussen al de strooihutten die we voorbijgingen aan brand te steken, tot we voor een lange smalle heining van doorntakken kwamen en waardoor onze mensen wat te spoedig doorgingen om bij de hoofdschans te komen, het gebeurde dat de heer Nicolaas Jacobus Smit destijds Veldcornet van de wijk Hoogeveld zwaar aan het hoofd gewond werd en uit het gevecht gedragen moest worden. Dezelfde N.J. Smit die later in 1880-1881 Vechtgeneraal in de Vrijheids oorlog tegen de Engelse was en nog later lid van die Uitvoerende Raad der Z.A.R. Dit maakte ongelukkig een war onder de burgers van zijn wijk die teruggingen en dat naderhand op een totaal retireeren of beter gezegd een ellendige vlucht uitliep. Als ik nog denk dat er op een plek niet minder dan 17 mensen lagen die allen dood of zwaar gewond waren en we behalve die welke bij de kleine schansen en hutten doodgeschoten lagen dan kan ik niet begrijpen hoe het gevecht op die manier eindigde, doch dan was het ook hier "Tot hier toe en niet verder" zoals Gods bestuur ten alle tijde is. En ook wat een grote fout onder ons toen al was "Hoera de slag is gewonnen" toen we nog de grote schans moesten nemen, geroepen werd. Dat de stamleden een goed pak slagen gekregen hadden was zeker, doch het koste ons ook een paar doden en gewonden. De buit afgenomen op de berg bedroeg bij de telling 2999 beesten behalve één paard en wat kleinvee.

 


De volgende dag werd het vee met een patrouille door Waterberg naar de vlakte gebracht langs Platrivier en tegen de middag het lager verplaatst waar we de nacht overbleven en de tegenpartij een aanval op 't lager aan de zijde maakte, doch teruggeschoten werden zonder dat er voor ons enig ongeval gebeurde. Een paar gevangen die daarbij trachten te ontvluchten werden doodgeschoten. Toen werd ' s morgens daarna met lager getrokken na Makallekals kop bij P.P. Rust, welke stamleden daar ook vijandig tegenover het Gouvernement waren, en waar de mensen die daar woonden in een verdedigingsschans stonden. Hier werd het lager verdeeld in enige wachtposten, doch tot de kop bestormen en vechten kwam niets, zodat na omtrent een 15 of 20 dagen het lager opbrak en een wacht daar achtergelaten, huis toe ging.

 

Het warmbad was toen nog in zijn natuurlijke staat. Er waren een paar badhuisjes van palen en gras langs de voor met een kuil er in waar de badgasten ieder voor zich zelf gebruik van maakten, als ze naar 't bad gingen. We keerden langs het warmbad terug, en nadat wij daar gewassen en gebaad hadden, langs de voor waar het water afliep 't veld in, gingen wij zeven personen na we afgedankt waren met onze wagen gedeeltelijk door 't veld naar Apiesrivier, alwaar we 't eerst op de plaats van de familie van de oude heer Lourens du Plessis aankwamen Na ik later vernomen had werd het vee langs Platrivier verkocht aan de commandomensen ten einde de opbrengst ervan de Gouvernementskosten te dekken. Korte tijd daarna zond Mapela een deputatie naar Pretoria om vrede te maken.


Van de plaats van de familie du Plessis gingen we naar Zandrivier, de plaats van Thomas Potgieter en mijn zwager D.E. Erasmus alwaar we de nacht overbleven, en de volgende dag te paard naar huis gingen. Koos Kloppers 's eigen paard liep daar op de plaats en mijn zwager gaf mij zijn rijpaard naar huis. De andere maats van ons gingen met de wagen na hun plaatsen Ik was een maand en twintig dagen afwezig geweest. Zo eindigde mijn eerste commando. Ik bleef op de plaats Waaikraal bij mijn schoonouders wonen, en maakte daar voor mijzelf een woonhuis van klei met drie kamers op kleine schaal "so 's dit in die goeje ou tijd die manier was" tot in 't jaar 1875, toen ik andermaal door de heer Tjaart Kruger en anderen verzocht werd weer een school op Zoutpansdrift op heel goede voorwaarden te willen aannemen. Ik besloot te gaan. Ik kreeg een aparte woning, een schoolhuis werd gemaakt en in oktober 1875 werd de school begonnen als een buurtschool met een traktement van £120 per jaar voor mij met nog tien akkers land voor koren en mielies zaaien en twee akkers voor tabak op te planten erbij kreeg. Daar ik zelf wagen en span ossen, ook melkbeesten had, weiveld, terwijl mijn vee bij dat van hun kosteloos opgepast werd. Het getal kinderen was zowat 25 tot 30, en we hadden toen ' t geluk dat schoolbehoeften wat ruimer in voorzien kon worden als in vroegere jaren. Hier was ik werkzaam tot in oktober 1876 toen de Secoecoeni oorlog uitbrak onder President Burgers, die om verschillende oorzaken voor de mensen de school gesloten werd. De schoolcommissie deed hoegenaamd geen moeite om mij ontslagen van dienst te krijgen, zeker omdat van hun zelf ook opgecommandeerd werden. Dus de meester was niet beter dan hulle. Ik zelf werd ook gecommandeerd om op commando te gaan. Intussen had mijn schoonvader de stuk grond van Waaikraal en de halve plaats Welgevonden er aan liggende verkocht aan het Hermansberg Zendingplaats genootschap ten behoeve van een gedeelte van de stam Bakwéna-Bamagoepa van Mamagalis volk, en moest vertrekken naar de plaats Leeufontein in de wijk Elandsrivier, en daar zijn dienstdoende zoons bij hem op de plaats ook op commando moesten, kon hij zonder hulp onmogelijk de trek aanvatten. Mijn schoonvader was toen 72 jaren oud. Mijn familie had ik na Waaikraal teruggebracht, we stonden tussen twee vuren, klaarmaken voor de trek en voor 't commando. Op de bestelde dag ging ik met mijn twee zwagers, Jacobus en Johannes Erasmus na de plaats Middeldrift aan de Krokodil rivier waar 't Rustenburg commando van wijk Hexrivier bij-elkander moest komen. Daar gekomen werd de toestand van schoonvader aan de veldcornet blootgelegd welke toen zo goed was om onder ons drie zelf de keus te doen wie van ons zou teruggaan met verlof, en de keus viel op mij op voorwaarde dat ik mijn zak beschuit enzovoort voor de andere als kost zou geven. Dezelfde avond ging ik te voet terug en kwam 's morgens met dagbreek op Waaikraal aan. Ik had de ganse nacht aan een doorgelopen met mijn geweer en ammunitie bij mij op schouder.

 


Toen mijn zwager op Zoutpansdrift te horen kwam dat de Veldcornet mij ontslagen had, kwam hij om te zeggen dat ik de school weer moest opnemen, waarop ik antwoordde, "Julle het geen vinger verroer om mij bij die Veldcornet los te krij, elke man gaat nou se ije pad". Dat ik terug moest komen was zeker omdat ze begonnen in te zien dat de kinderen zonder school de lijdende partij zouden zijn. Toen maakte we met alle krachten klaar voor de trek. We hadden vier wagens te vervoeren, allen geladen zoveel er in en aanhangen kon, ongeveer een 400 beesten, enige paarden en ook wat kleinvee, en indien we van het oude werkvolk dat aan Hexrivier in de kleine stadjes woonde geen hulp gehad zouden hebben mag Job weten wat ervan ons geworden zou zijn. Mijn schoonvader en ik zelf dreven elk een wagen terwijl een zoon van hem omtrent 12 jaar een wagen dreef en een knecht de andere. Na enige dagen kwamen we zonder tegenspoed en na veel gesukkel op de plaats genoemd aan. Ik had zelf enig boerenwerk al goed geleerd in S.A. het land van twaalf ambachten en dertien ongelukken.


 

Korte tijd daarna kocht mijn schoonvader de halve plaats Klipfontein nr. 410 bij de Pilansbergen en ging daar wonen dat evenwel niet te lang duurde. Ook daar ging ik wonen. De halve plaats Leeuwfontein nr. 555 had hij aan zijn zoons Jacobus en Johannes verkocht. In 't jaar 1878 kwam er een zeer zware epidemie met de malaria koorts zodat alle de familie ziek werden. De eerste ziekte begon in de maand maart vervolgens in april en mei. Mijn schoonmoeder stierf in maart. In april werden ziek mijn schoonvader met drie zijner jongste kinderen, ikzelf met vrouw en vijf kinderen, de vrouw van Jacobus Erasmus en de kinderen, de vrouw van Johannes was bij zijn schoonouders, hij zelf was op tocht na die Oranje Vrijstaat het volk werd allen ziek. Alleen Jacobus Erasmus bleef gespaard die voor allen en alles te zorgen had. Mijn schoonvader stierf in mei. Vanuit Pilansberg kwam hulp om ons later op te passen, en dan geen dokters te bekomen, doch het behaagde de Heere ons verder allen te sparen en na enige tijd één voor één te herstellen. We hadden geen ander medicijnen dan Kasterolie die met zout vlees op werd gebruikt en brandewijn om de koorts te breken. Toen hij stierf kwam Jacobus bij ons in de kamer en zei "Broer Jan, zus Annie onze papa sterft". Mijn vrouw zei "Laat mij toch aankruipen om mijn papa te groeten", en daar wij beiden zó ellendig zwak waren dat we niet eens op onze benen konden staan zei ik "Laten wij tevreden zijn en in de wil des Heren berusten", daar ik wel dacht dat ze zou bezwijken.


Op de aanliggende plaats Doornpoort woonde Jacobus Wezel die met een weduwe Schoombe gehuwd was en een zoontje van een jaar of zeven had van haar eerste man. Deze werden ziek en stierven allen. Ook van de anderen om ons stierven er heel wat. De enige die van ons de begrafenis mijns schoonvaders van ons op de plaats kon bijwonen was zijn zoon Jacobus. De buren die nog gezond gebleven waren begroeven hem. Wat we toen doorgestaan hebben is mij onmogelijk in zijn geheel te beschrijven. Toen we later in zo ver beter waren dat we niet behulp van volk ons weer konden helpen, namen Jacobus en Johannes liet vee en pasten dat op tot in september of oktober toen het op de plaats terug kwam en de gehele boedel per publieke vendutie verkocht werd, en waar de plaats door mijn oudste broeder Joost Heijstek werd ingekocht. Ik had in die tijd een stuk grond groot 78 morgen van de plaats Olivenboom direct aan Klipfontein gekocht met plan er later op te bouwen en te wonen. Doch daar mijn broeder zelf plan had op Klipfontein te wonen ging ik eerst tijdelijk naar de plaats Wijdhoek in Pilansberg bij de Malans, beiden ooms van mijn vrouw een school opzetten. Mijn broeder was niet te lang op de plaats toen hij met vrouw ziek werd en zij stierf. Hij werd na haar begrafenis teruggebracht naar Sterkstroom waar hij ook een woning had. Toen hij beter was bracht hij onze eigen vader met zijn vrouw (toen mijn vaders tweede vrouw) en kinderen op de plaats en in maart werd vader ziek aan de malariakoorts en stierf na zeven dagen. Ik was gegaan om hem op te passen en kon hem als kind van hem begraven. Dat was de 16e maart 1879. Hij had de ouderdom van 63 jaren, 2 maanden en 9 dagen bereikt.

 

Later kocht ik eerst de helft van de plaats van mijn broeder en ging er wonen en weer later de andere helft. Ik wenste de plaats als erfenis in bezit voor mijn kinderen te hebben, die ze dan ook later gekregen hebben.

 

Wordt vervolgd
 

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 1

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 3

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 4

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 5

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 6

 

 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen