Vertaal/Translate/Select your language

Vinaora Visitors Counter

574618
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
65
927
1619
115922
5464
23692
574618

Your IP: 52.91.90.122
2018-12-11 16:22

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 1

Het betreft hier een vrijwel letterlijke transscriptie van het document dat eigenhandig door Jan Heijstek in Afrika is opgesteld. Slechts enkele woorden zijn aangepast aan het hedendaagse Nederlands.

Zijn eigenhandig geschreven levensverhaal.

 

Het vertrek uit Nederland en de aankomst in Afrika

 

Naar aanleiding van het verzoek van mijn kinderen zo ook door vrienden, heb ik besloten enige herinneringen uit mijne voorbijgevlogen levensjaren op schrift te stellen.

 

Ik ben Jan Heijstek geboren te Giessen in de Provincie Noord-Brabant in het Koninkrijk der Nederlanden op de 21e november 1848. Mijn grootvader aan vaders zijde was Joost Heijstek, en de grootmoeder Jannigje van der Beek. Mijn grootvader aan moeders zijde was Jan Rooza , en de grootmoeder Elizabeth Elshout. Mijn vader is geweest Jan Heijstek geboren op 7 januari 1816. Mijn Moeder is geweest Johanna Roza geboren op 9 September 1826. Van mijn grootouders heb ik alleen de grootmoeder aan vaders zijde gekend voor mijn geboorte al overleden zijn. De laatste stierf toen ik nog zeer jong was. Mijn ouders waren van de middelstand boerenlieden in genoemde plaats mijner geboorte en daar er voor hun in dietijd met een huisgezin met kinderen weinig vooruitzicht bestond om die een goed bestaan in de wereld te kunnen verzekeren,besloten zij in de maand maart 1862 naar Zuid Afrika te emigreren.

 

Tot hier heb ik de eerste kinderjaren van mijn herinneringen wat vooruitgelopen. Voor ik verder ga wil ik evenwel zo ver ik mij nog kan herinneren uit mijn aller vroegste kinderjaren een en ander mededelen.

 

 

Toen ik de ouderdom van vijf jaren bereikt had werd ik volgens de gewoonte aldaar door mijn vader naar de dorpschool gebracht. Ik verbeelde mij een al grote jongen te zijn en toen ik door de meester in de schoolbank gezet was en mijn vader terug ging, zette ik een keel op met al de kracht die in mijn longen aanwezig was. Doch de meester wist raad. Spoedig ging hij uit de boekenkast een a,b,c boek halen met op het titelblad een paard met een ruiter. Jantje was tevreden. Zo spoedig is toch een kind tevreden te stellen. Mochten wij oudere van dagen toch ook vaker tevreden zijn, hoe aangenaam zou ons leven dan onder elkander zijn.

 

En zo ging ik dan met de schoolgaande jeugd op school tot ik de ouderdom van 12 (twaalf) jaren bereikt had, des morgens van negen tot twaalf en 's middags van een tot half vier. Zomers door regen en zonneschijn en 's winters door sneeuw en koude wind. Met mijn schoolgeleerdheid had ik het niet te ver kunnen brengen, daar in die goede oude tijd in een school met 'n honderd en vijftig kinderen in de banken en een oude man aan het hoofd en - nota bene - geheel alleen voor al het werk stond, het wel te begrijpen is, dat het wonder is dat ik zingen, lezen, schrijven en rekenen tot de eerste vier hoofdregels optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen geleerd heb. In de oude taaie saaie tijd waren er geen hulponderwijzers of kwekelingen die de meesters tot hulp waren op de dorpscholen. Het schoolgeld was van 10 cents tot 60 cents het kind per maand.

 

In de zomer moesten wij jongens des zaterdags mede op het land helpen, het zij met aardappelen planten, bij het hooien en de graan oogsten voor zover onze krachten zulks toelieten. Hooien, dat is wanneer het hooigras gemaaid was bij dag helpen omkeren om te drogen en met de wagen en paarden naar de schuur te brengen.

 

Nadat ik mijn schooljaren doorgelopen had, was mijn begeerte om het wagenmakerambacht te leren en werd als leerjongen bij een familielid van mijn moeder met name Arie Elshout in ons dorp Giessen geplaatst, alwaar ik voor omtrent acht maanden werkzaam was. Doch toen mijn ouders besloten naar Zuid Afrika te gaan werd ik nog voor drie maanden op speciale dag- en avondschool gezet bij de heer G. Smits in het dorpje Uitwijk nabij onze woning. De naam van mijn eerste meester in Giessen was Cornelis van Weijgerden.

 

Toen dan besloten was naar Zuid Afrika te gaan werd de gehele boerderij met vaste en losse goederen door een notaris in het laatst van april 1862 onder de hamer gebracht en per publieke veiling verkocht alvorens tien grote houten kisten met kleding en benodigdheden volgepakt voor de reis in orde gebracht waren. De notaris was Nicolaas van der Colff van 't stadje Woudrichem aan de rivier de Maas.

 

Zo brak dan de dag aan in begin van de maand mei 1862 dat afscheid van de familie genomen werd en onze reis naar een nieuw aards vaderland begon. Hoe jong ik ook was, die dag is nooit uit mijn geheugen gewist. Mijn neef Joost van Herwijnen, een zusterskind mijns vaders ging met ons tot het Nieuwediep alwaar we inscheepten, om ons uitgeleide te doen. Mijn oom Antonie Roza bracht mijn moeder met haar jongste kinderen met een rijtuig naar Rijswijk aan de Maas, terwijl mijn vader en wij grote jongens te voet gingen, alwaar de beurtschipper, Jan v.d. Maas ons opnam om al langs de binnenwaters langs Gorinchem, Gouda, Amsterdam, enz. bij zee te brengen. Verschillende plaatsen waar we voorbij voeren kan ik me niet meer herinneren. In Amsterdam konden wij nog een paar uren aan wal gaan om onze laatste Hollandse centen die wij jongens op zak hadden in een koekwinkel voor koekjes te gaan verruilen. Vandaar ging het verder tot we in 't Nieuwediep, ook wel Den Helder destijds genoemd, op 't zeeschip gingen dat gereed lag op reis te gaan. Het was een driemast kampanje bark schip bestemd naar Oost Indië met de naam Willem Hendrik, met als kapitein een koopvaardijzeeman met de naam Jan Bekkering, en de naam van de eerste stuurman ook dezelfde als Bekkering was, een broeder van de kapitein.

 

Nadat wij van mijn neef aan wal afscheid genomen hadden, en de ankers van 't schip opgehaald waren, en de zovele vaarwels ons toegeroepen en wij hetzelfde aan het aantal mensen aan de wal ook deden, ging het schip het zeeruim in, tot het niet lang duurde of we waren elkander uit het oog.

 

We waren ook nog niet ver van de wal of het Epsom Salt van Neptunus begon zijn uitwerking op een groot deel der passagiers te beproeven, waarvan ikzelf geduchte ondervinding opdeed. Die miserabele nare ziekte waarvan geen mens sterft, maar waarvan je soms verlangt om maar dood te gaan. Zeeziekte dus. We hadden ook het voorrecht dat de scheepskok met een goed stuk in zijn kraag aan boord was gekomen, of zo 's ons oude mensen zegt, hij had die schoot te hoog! Zeker door een plezierig afscheid van vrienden aan de wal bij 't vertrekken. Nu ja, Z.H. had het eten voor de dag zowat door elkander gemaakt in de kombuis op 't schip, en op een goed ogenblik zoveel verstand in 't hoofd gekregen dat hij de hele rommel in een grote emmer deed en het in het hok voor de varkens wierp met de woorden : "Vreet, zwijnen". Noch de passagiers, noch het scheepsvolk kregen die dag iets te eten, behalve dat ze zelf aan boord hadden medegenomen.

 

De varkens in de hokken op 't schip waren bestemd als slachtdieren voor de reis. Zo waren we dan op reis naar een onbekend land vóór ons. Er waren drie klasse landverhuizers en passagiers aan boord. In de kajuit 't achterste deel de kapitein , de eerste stuurman, scheepsdokter, de hofmeester, de kajuitjongen en enige passagiers voor Batavia. De tweede klas mijn ouders met 7 kinderen en enige anderen, en de derde klas waren de meeste, allen bestemd voor de Kaap de Goed Hoop. Het leven aan boord was maar elke dag bijna 't zelfde, totdat er voor ons gezin later een treurige verandering kwam en wel zo dat het jongste kindje (Jannigje Heystek; I3941) van mijn ouders stierf dat vanaf haar geboorte zeer tenger en zwak was. Enige tijd later werd mijn moeder die een hele tijd aan verzwakking in de hersens leed op eens zo ernstig dat terwijl vader en moeder boven op het dek op dekstoelen zaten, mijn moeder duizelig werd, en wel zo erg dat ze met behulp van de dokter en andere personen naar beneden gebracht moest worden. 't Was voor ons als kinderen een zwaar gevoel dat te moeten aanschouwen, doch de Heer had in Zijn Vader raad besloten ons nog verdere beproevingen te doen ondervinden. Mijn vader had een sterk lichamelijk gestel en trachtte ons  zoveel mogelijk te troosten. Daar de plek die we in 't schip tot verblijf hadden te klein onder zulke omstandigheden was, liet de kapitein door de scheepstimmerman het beschot tussen de 2de en 3de klasse openmaken en gaf ons toen in 't ruim plaats voor de familie. De dokter deed met alle vlijt het mogelijke om moeder op te passen met alle hem ter hand staande middelen, doch zij werd steeds zwakker en zwakker. En nu moet ik voor een ogenblik de gedachte van mijn onvergetelijke moeder afwenden.

 

Was het niet geweest dat door toedoen van besliste passagiers die de kapitein en stuurman geholpen hadden met enige verstandige matrozen, kon het misschien lelijk afgelopen hebben. De datums van die voorvallen kan ik mij niet meer herinneren, genoeg dat ik de waarheid en niets anders dan de waarheid op schrift zet. Het was toen we de linie of de evenaar zouden passeren dat toebereidselen gemaakt werden om dat helse Neptunusfeest te vieren. Ik noem dat harde scheepswoord omdat dat feest in een bijna oproer onder de matrozen uitliep. Er waren zeilen op het voorschip gespannen, daarachter stond een grote kuip vol zeewater, over de kuip lag een kort stuk plank waarop elke persoon zonder onderscheid mocht gaan zitten, natuurlijk bij zijn of haar beurt, nadat ze eerst zodra iemand achter het zeil gebracht werd met emmers zeewater over het gehele lichaam gegooid werd, dan op de plank op de kuip werd gezet, met een soort zeep het gezicht besmeerd, en met een mes van hout geschoren werd, en dan de plank onder 't lichaam uitgerukt, zodat de persoon achterover in de kuip met water viel. Toen de beurt aan vader kwam en hij met twee emmers zeewater over het lichaam gesmeten was, sprong hij op en liet zich niet vatten, door van hem af te slaan als een echte Noord- Brabantse boer en ging dadelijk terug naar mijn moeder die uiterst zwak aan haar krankheid te bed lag. Zij hoorden het rumoer boven haar op het dek en of het schandaal dat de ellendige bestuurder van 't schip toegelaten heeft die dag te laten uitvoeren, het einde mijner dierbare moeder verhaast heeft zal de eeuwigheid openbaren. Na onze aankomst in Kaapstad, waarover later, is dan ook een klacht tegen de kapitein ingediend, en waar hij bij de familie alwaar wij toen thuis waren een bezoek wilde afleggen, werd hij de stoep afgejaagd. Mijn moeder werd steeds zwakker en was bij tijde geheel van haar hoofd door de zware pijn in de hersens, en toen ze haar einde begon te gevoelen gaf de Algoede Hemelse Vader haar het volle verstand voor enige uren terug. Ze deed vader en ons kinderen tot haar krankbed naderen en sprak als haar laatste woorden: " Mijn man en kinderen ik ga sterven, ik zie het beloofde land van verre als weleer Mozes, een land overvloeiende van melk en honing maar ik mag er niet ingaan, gaat naar dat land, gaat niet terug, houdt de Heere onze Verbonds God voor ogen en Zijn zegen zal met uw allen zijn." Daarna nam ze ons kinderen één voor één aan haar hart, kuste ons een laatst vaarwel, en ten laatste vader, en begon te zingen de twee laatste verzen van Psalm 116, bij het einde ervan haar ziel opsteeg na die gewesten alwaar Jezus Christus beter gekend zal worden dan Hij hier op aarde gekend is. De lezer verschoon mij dat terwijl ik dit op schrift zet mij tranen van weemoed, doch ook van dankbaarheid aan mijn ogen ontspringen. Daar stond vader met zijn moederloze kinderen, dáár verre op den oceaan, verre van het aardse vaderland, en een onbekende toekomst tegemoet, een echtgenote en der kinderen moeder te moeten achterlaten en aan de baren der zee het stoffelijk overschot te moeten toevertrouwen, voor hem een zorgzame hulp te zijn geweest, voor ons een moeder aan wiens knieën wij de eerste beginselen van Gods woord en onze kindergebeden geleerd hadden, een moeder die God vreesde en niet alleen voor de wereld maar bovenal voor de eeuwigheid geleefd had. Wie kan beseffen wat wij hadden verloren?

 

Het stoffelijk overschot werd behoorlijk in een doodkist gedaan en in zee gezet. De reis ging verder naar de Kaap waar we na zware storm voor de Tafelbaai enige dagen gehad te hebben na 90 dagen vanuit Nederland aankwamen. De Hollandse kapitein ging toen niet bij Port Natal maar recht door naar Oost Indië. Onze bestemming was eigenlijk naar Port Natal, doch daar vaders familie alleen van de passagiers op schip daarheen moesten en het schip verversing moest innemen, besloot de kapitein ons over te maken aan de kapitein van een Engels stoomschip "Waldencia" dat destijds eenmaal in de maand van de Kaap naar Natal heen en weder voer, terwijl de vracht door vader tot Durban betaald was tussen de twee kapiteins geregeld werd. We bleven evenwel in Kaapstad 37 dagen over, tot de stoomboot voor de tweede reis naar Natal ging. Reden daarvoor was dat ik zelf en twee mijner broeders zo erg door de ziekte en ellende door de scheepskost verzwakt waren dat vader besloot ons eerst tot verhaal te laten komen. Wij jongens kregen dan ook wat gelegenheid in Kaapstad rond te gaan, het museum, de kerken, enige anderen bezienswaardigheden te bezien, het militaire parade park, en de parades van de Rooibaatjes bij te wonen, enz. Hier zagen wij ook voor 't eerst in ons leven negers, slamaijers en schepsels die een ander huid dan wij zelf hadden. We gingen ook naar een dorp destijds Papendorp genaamd, maar of er toen Papen in waren weet ik niet.

 

Wij werden thuis genomen bij een Hollandse familie, ene mijnheer J.A. de Meije, tabak en sigaren handelaar in de Houtstraat nr. 37 tegenover een wijndepot van een zekere Zeederberg. Hier werden wij ontvangen niet alleen als landgenoten, maar ook christenvrienden, en mochten hartelijke verzorging ondervinden. Maar ook weldra brak de tijd aan dat we verder moesten. We werden op genoemd stoomschip gebracht en daar ging het weer de zee in. Onder andere waren er ook een aantal Rooibaatjes aan boord met bestemming naar een fort waar nu Oost Londen is, en waar ze aan land gezet werden. In dien tijd in 1862 was er nog geen sprake van een Oost Londen. Er was slechts een fort aan de overzijde van de rivier omtrent waar de punt is van waar de Buffalorivier in de zee kom! Ook was er een Natalse boer aan boord, als ik mij niet vergis met name Hugo die op reis naar Europa geweest was en in Frankrijk enige merino schapen, in Holland twee paardenhengsten, en een Friesche Bul, een dito vaars en in Engeland een volbloed hengst had gekocht. Ook enige zwijnen en ganzen, doch ik weet niet waar gekocht, die allen in Durban ontscheept werden.

 

Op de reis zagen we vanaf de boot langs de kust van Brits Kaffraria, plaatselijke bewoners tussen de klippen lopen met onze verrekijkers, en wel in 't kostuum van Adam en Eva in 't Paradijs. Ik denk dat de reis vijf nachten en vier nachten duurde. We werden met platboom boten aan strand gebracht bij Durban. Daar aangekomen werd onze bagage onderzocht en moesten voor drie geweren - twee tweeloop en een enkele loop £10 per loop betaald worden onder streng verbod dezelve niet in Brits gebied te mogen verkopen, en een kleine hoeveelheid buskruit en 'n 500 percussie dopjes eenvoudig genomen en als buit verklaard, "à la English Methode".

 

Toen we in 't hotel waren kwam er een persoon met een lange zwarte baard die goed Afrikaans sprak, met nog een paar snuiters vader vragen om het enkelloop geweer "ver sijn seun te koop", zeker om vader dan en daar al in moeilijkheden te brengen, doch vader was hem te slim af. De eerste verrader op onze weg.

 

We bleven vier dagen in het West End hotel toen we door Duitsers met twee ossenwagens naar Pieter Maritzburg gebracht werden. Hier aangekomen werd ons het oude Nederlands Gereformeerde kerkje aangeboden om in te verblijven, goedgunstig door deszelfs kerkenraad afgestaan gedurende ons verblijf aldaar. Het oude kerkje stond bij een watervoor die langs een grote straat liep, daar recht tegenover woonde een ouderling met name Jan Naude, terwijl de koster en voorlezer een zekere mijnheer Mostert was.

 

Later heb ik vernomen dat het kerkje in een museum veranderd is. De nieuwe kerk was korte tijd te voren in gebruik genomen. De Predikant van dezelve was Ds. P. Huët. Gedurende ons verblijf aldaar was de Ds. afwezig en werden de diensten door een ouderling waargenomen, en wat ons bewondering opwekte was, dat sommige mensen onder het gebed nederknielde, anderen niet.

 

Als ik mij goed herinner was Ds. Huët op reis naar Kaapstad om een kerkelijke vergadering bij te wonen, en met stoomboot "Waldencia" op reis daarheen toen de bestuurder van de boot dezelve bij Brits Kaffraria in de klippen op strand heeft laten lopen. Het schip was een oude rompen natuurlijk zeker goed verassureerd zodat behalve wat lichamelijk ongemak de schade weinig betekende. Er waren gelukkig geen mensenlevens verloren gegaan voor zo ver we later in de toenmalige Z.A. Republiek vernomen hebben.

 

Door de bovengenoemde Ouderling Naude werd ons veel tegemoet gekomen gedurende onze 25 dagen welke wij aan de plaats overbleven, hij was iemand met een beslist Christelijk karakter. Hier zagen we voor het eerst bij de slachterspalen hoe de beesten die geslacht werden met een geweer eerst neergeschoten werden, voordat ze verder afgemaakt werden. Hier zagen we ook voor het eerst in ons leven de echte barbaarse Zoola stamleden, kinderen van de natuur. En ook zagen we een zekere dag een man op een schotskar langs de straat komen, een man die wij jongens beschouwden als van de kinderen Enaks geslacht. Hij zat op de kar en die was de breedte ervan in aanmerking genomen zo goed als vol, hij was groot, breed en zo van lichaam als wij nooit gezien hadden. Later vernamen we dat hij een zeker mijnheer van Rooij was. Dat was ook voor de eerste keer dat we een schotskar met ossen bespannen te zien kregen.

 

Na een verblijf van 25 dagen te Pieter Maritzburg ging de reis verder naar onze bestemming. Mijn vader had bij een zekere oude man met name Hendrik Maartens twee wagens met ossen te huur gekregen om ons naar Potchefstroom in de Republiek te brengen. Door een zoon van hem, Koos Maartens en zijn schoonzoon Jan Pannewit werden we na een reis van 30 dagen op Potchefstroom afgeladen. Op weg zagen wij ook de waterval van de Umgenierivier in Natal alwaar wij een nacht overbleven. Dit was de eerste waterval in een rivier die we zagen en waren zeer verwonderd over het prachtige natuurtoneel.

 

De reis ging zeer langzaam omdat we 's nachts niet reisden en des morgens de ossen eerst voor weiden losgemaakt werden, en wij zelf eerste een morgeneten voor inspannen gebruikten. Gewoonlijk werden twee schoften zogenaamd per dag afgelegd. Het was voor ons een vreemd reizen zo per ossenwagen, doch raakten er weldra aan gewoon. Voor ons die uit het vlakke Nederland kwamen was het land van bergen en dalen majestueus, en wel het ontzaglijke Drakengebergte in al zijn prachtige wondervolle vertoning. Nadat we de plaats waar het tegenwoordige Harrismith is gepasseerd hadden kwamen wij op meer vlak land en wel zo we vernamen in den Oranje Vrijstaat, alwaar we wilde dieren bij menigte als Zwarte Wildebeesten, Blesbokken, Springbokken, Zebra's (Kwagga's) op het veld bij grote menigten zagen lopen. Het was een vreemd gezicht voor ons zo veel wilde dieren te zien, doch daar wij slechts hagelgeweren hadden en ons kruit en dopjes in Durban door de douane buitgemaakt was, konden we zelf geen enkele bok schieten om de vleespot aan het koken te houden. Het gelukte ons een dag een heel Zwart Wildebeest te krijgen dat door een jonge Afrikaanse boerenzoon geschoten was, als vlees voor padkost, en wel zonder enige vergoeding onzerzijds. Ik wou wel weten als er 's nachts bijvoorbeeld een leeuw op ons afgekomen was, of we die als we een Simson's hart in 't lijf hadden die met jukken zouden moeten doodgeslagen hebben. Toen ter tijd in 1862 waren er nog heel wat leeuwen ook in de Oranje Vrijstaat docht 't wild was zo veel dat ze niet juist nodig hadden reizigers te molesteren.

 

Toen we eindelijk de Vaalrivier doorgingen en op de Zuid-Afrikaanse Republiek kwamen was het juist de tijd dat er burgeroorlog tussen de boerenbevolking uitgebroken was en ze elkander met die "Ou Sanna" geweren 's kogels al gegroet hadden. Bij onze aankomst bij Kliprivier stond er een boerenlager waarvan Jan Maré (bijgenaamd Zwart Jan) de commandant was. Het dorp Heidelberg is later op die plaats aangelegd. Er was toen op die plaats nog geen enkel bewijs van een dorp. We kwamen er zowat 10 of 11 uur v.m. aan. Hij gaf dadelijk order dat uitgespannen moest worden, en wij niet verder mochten gaan. Mijn vader zei hem dat hij een immigrant was, en niets met hun zaken te doen had, en dat hij zou doorreizen. Toen gebruikte de commandant een krijgslist door te zeggen dat zodra we onder het bereik van Paul Kruger zouden komen die ons zou gevangen nemen en dat die elke man die niet voor hem wou vechten aan "die wawiel vasmaak en so lang met en-achter sambok slaat tot dat hij moet veg". De Commandant had vijf zoons in ' t lager behalve zijn andere manschappen. De oudste had een broek aan waar een kogel door gegaan was, die zijn vader bij zeker gevecht met Krugers mensen aan zijn lijf droeg en waarbij hij een vleeswond aan de heup gekregen had. Nu zei de zoon ons even laconiek dat zijn vader "nie meer die broek wil aantrek nie, omdat Paul Kruger se koeël daardeur gegaan het", waarop mijn vader zei "En dan het merkteken aan de heup van uw vader, hoe raakt hij die kwijt?" Hij, de Commandant had ook een zoon die krankzinnig was, en in het lager al in 't rond liep met een lange riem uit een beestvel gesneden die hij sleepte.

 

De dag bleven we met de nacht er op daar over zonder dat we in iets verder gehinderd werden, en de volgende dag lieten ze ons verder gaan. Op het dorp aangekomen zagen we zo hier en daar kleine schansen van zoden (sooiwallen) gestapeld staan waarachter de een partij n.m. de Regeringspartij geweest waren met het gevecht, dat gelukkig niet al te erg geweest. De Regeringspartij was destijds onder president M.W. Pretorius, en de tegenpartij onder Paul Kruger. Later was er nog een klein gevecht bij Potchefstroom in 't jaar 1863, toen in januari 1864 bij de Zwartkopjes nabij Comandonek aan Krokodilrivier het Regerings Commando door de burgers van Rustenburg en Waterberg voorgoed uit mekaar gejaagd en op de vlucht gedreven zijn. Daar vielen evenwel een paar der burgers waaronder Hans Emmenis van Waterberg en Martinus Pretorius van Pretoria district. Voor verdere bijzonderheden verwijs ik na de geschiedenis der Z.A. Republiek door andere schrijvers te boek gesteld, doch dat die ongelukkige kerkelijke kwesties daar een grote rol in gespeeld hebben valt niet te ontkennen. Eindelijk werd er dan te Pretoria een eind aan de vetes gemaakt. M.W. Pretorius als President en S.J.P. Kruger als Commandant Generaal der Z.A. Republiek aangesteld.

 

Intussen moet ik na onze aankomst te Potchefstroom terugkeren. Op den 1e december 1862 kwamen we er aan, bleven er tot de 6e en werden op de 7e met twee ossenwagens door de heren Burger Smit en Hendrik Stroh die van Rustenburg gekomen waren, daarheen gebracht. Die laatste reis duurde vier dagen, zodat we op de 10e december 1862 op Rustenburg na een lange en moeitevolle reis aanlanden.

 

Van Commissiedrift ging vader te paard vooruit. Ds. Postma was toen daar met de heren Hendrik Stroh Sr. en Johs Potgieter allen te paard met nog een paard hem af te halen. Op Commissiedrift bij Olifantsnek werd voor het laatst uit- en ingespannen vanwaar we 's avonds in het donker op 't dorp aankwamen waar een klein huisje met twee kamers en een kombuis voor ons beschikbaar was, en in woonde tot april 1863. En hiermede sluit ik mijn herinneringen omtrent de reis van Nederland naar Zuid-Afrika af.

 

Wordt vervolgd.

 

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 2

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 3

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 4

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 5

Het levensverhaal van… Jan Heijstek – deel 6

 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen