Vinaora Visitors Counter

1250855
Vandaag
Gisteren
Deze week
Vorige week
Deze maand
Vorige maand
Alles
88
671
2971
790068
13089
17131
1250855

Your IP: 3.215.79.204
2022-06-25 03:13

Een droom wordt werkelijkheid - deel 3 (Slot)

Aan het Malawimeer liggen op een knappend houtvuurtje wat visjes. Daarnaast zit moeder met haar baby van een maand of vijf. Met verbazing kijk ik naar de appelgrote uitstulping op haar buik. Zeker weten dat het een knots van een navelbreuk is en raad moeder aan met het kindje naar een ziekenhuis te gaan. Moeder haalt de schouders op: “Als ze drinkt wordt het groter. Het is niets bijzonders.”. Het is duidelijk dat het maagje bij uitzetten naar buiten komt. Ik verbaas me over het gemak waar mee ze oordeelt. Mijn meer dan gewone belangstelling voor het kindje verleidt moeder te zeggen: “Je mag haar hebben.” Met een mengeling van  ongeloof  en interesse in de beleefwereld van de vrouw, ga ik op daar op in en speel het spel mee. Als het er op lijkt dat er zaken gedaan kunnen worden, wil ze toch eerst nog even met de vader overleggen. De volgende morgen blijkt vader, een onderwijzer, het afgewezen te hebben, maar als ik dan de waarde van 500 gulden biedt (te vergelijken met een jaarinkomen) stijgt er zoveel bloed naar haar hoofd dat ik het door haar pikzwarte huid heen zie. Ja dan kan het ineens wél en kan ik ook nog korting krijgen vanwege de navelbreuk.

 

Wat niet echt leuk was gebeurde in Zuid-Ethiopië. Bij een van de schaarse benzinepompen  was de benzine uitverkocht. Alleen nog op de zwarte markt verkrijgbaar, d.w.z. gewoon uit de zelfde pomp. Staan daar zes man om me heen die geld eisen. Ik was te overdonderd om bang te zijn en keek de eiser onverstoord aan. Ik kon ze verrassen door het gemak van de elektrische starter. Om het wat spannender voor me te maken had een handlanger100 m verder een touw over de weg gespannen. Na wat heen en weer gemopper, suggereerde ik om te keren. Met en schijnbeweging ging ik door een greppel om het touw heen. Na 1000 km piste doet een greppel meer of minder er niet toe.

 

Onderweg wordt veel gezwaaid. Opvallend is dat mijn manier van handopsteken, hoe gevarieerd het moge zijn, feilloos overgenomen wordt. Blijkbaar gebeuren dit soort passages zo weinig dat zich geen routine ontwikkeld heeft. Zou best kunnen want tussen Kaapstad en Cairo ben ik slecht 3 globetrotters op de motor tegengekomen. Waar zitten ze allemaal?

De beste herinneringen heb ik overgehouden aan contacten met de autochtone bevolking in afgelegen dorpen. Wel eens cassave gestampt? Wel eens het originele zweet geroken van de mens die geen stromend water, shampoo en deodorant bezit? Wel eens een niet te zuipen brouwsel gedronken in een rieten hut bij een nachtelijk olielampje ? De baby van een Afrikaanse in de armen mogen nemen? (zie onderstaande foto)

 

En hoe lang is het geleden dat je buiten de huiselijke kring een arm van vriendschap om je heen voelde zonder eigenbelang ? Niet alles ruikt goed, niets ziet er fris uit, maar alles in een zo goede sfeer, zo dicht bij mensen zonder franje dat het je hart raakt. En daar ben ík dan met mijn high-tech motor, mijn malariaprofilaxe en vitaminepillen, reserveonderdelen en schoolopleiding. Even heb ik de kans de kloof te dichten en te voelen waar het werkelijk om gaat. Dus het paradijs ontdekt ? Nou nee, een benzinebrander is toch makkelijker dan een houtvuur en een donzen slaapzak wint het van wat oude lappen, maar de hartelijkheid en gastvrijheid doen me erg goed. De Afrikaan leeft buiten en is gericht op de ander, terwijl de Westerling de gordijnen sluit en individualistisch is. Heel duidelijk zie je dat in Israël waar Joden en Arabieren gescheiden leven: in de Joodse delen heerst een westerse sfeer, kijken de mensen langs me heen, buigen de wegen om de nederzettingen heen en loopt men soms zonder antwoord door, terwijl zich in de Palestijnse delen een klontering van activiteiten voordoet op menselijke maat. Na het “salaam alaikum (vrede zij u)” worden handen geschud, kijken de mensen me aan en wordt naar m’n naam gevraagd. Zo overkwam het me dat in de Palestijnse gebieden de groenteman me uitnodigt te gaan zitten en spontaan een kop koffie haalt. Dat verbroedert en doet afstand smelten.

 

Stedelijke bebouwing en voorzieningen
Opvallend is de verrommeling in woning- en stedenbouw. Stoffige stadjes, ruw opgetrokken bouwsels, willekeurig geplaatste hutjes. Wat kunnen mensen er toch een rotzooi van maken. Er zit geen enkel plan, geen enkele gedachte achter, anders dan de behoefte een dak boven het hoofd te hebben. Bijna steeds overvalt me de ongeordende zooi. Als ik me trakteer op een eenvoudig hotel, blijkt het sanitair te bestaan uit een gat in de grond. Van de twee kranen is er een die het niet doet. Laat dat nou net de warme zijn. Gelukkig maakte men dat ‘s avonds goed met een warme Cola. Het is ook niet zelden voorgekomen dat er helemaal geen stromend water is. Er wordt dan met een vrolijk gezicht een emmer water gebracht. Ja, dat is Afrika. In één hotel dreigde ik te vertrekken als er niet gauw water uit de kraan zou komen. Dat gebeurde toen zo overvloedig dat de volgende morgen de hele hal onder water stond. Zo overdrijven, dat hoeft nou ook weer niet.


Het vinden van een slaapplaats was overigens zelden een probleem. Toen wild kamperen of verblijf op een camping niet lukte, dan was daar de gastvrijheid op de sisalplantage in Kenya of de bananenplantage aan het Meer van Tiberias (Israël).
Wat gastvrijheid betreft hebben kloosters een naam hoog te houden. Zo kom ik laat in de middag bij de Rode Zee aan bij het Klooster van Paulus. Zeg ik: “Hier is een vermoeide reiziger die een plaats zoekt voor de nacht”. Ik was van harte welkom en krijg een schotel bruine bonen. Kom ik de abt tegen en vraag hem een geschikte plaats voor mijn meditatie. Toch niet zo’n vreemde vraag in een klooster. De man kijkt me aan of ik een onzedelijk voorstel doe en wil me vervolgens in het pikkedonker een bochtig bergpad afsturen. “Lekkere jongen ben jij”, denk ik. Ik verdenk hem er van mij langs de kortst mogelijke weg de hemel in te willen sturen. Wat na 10.000 km Afrika niet gelukt is, zal hij wel even afmaken.

Ik moet zeker noemen de verrassing in het zuiden van Tanzania. Langs de hoofdweg wordt de suggestie gewekt van een kampeergelegenheid. Ik volg daarop een kilometers lang bospad met een joelende sliert kinderen achter me aan. Niet echt lastig, maar ik trek meer aandacht dan me lief is. Als ik overweeg het zoeken op te geven staat daar de boswachter. “Jazeker, rechtdoor, daarna het pad links en dan rechts steil naar beneden en dan....kom ik loop wel even mee”. We komen bij een Hans en Grietjehuisje waar ik de nacht kan doorbrengen. Bij elke overnachtingsplek zoek ik altijd naar een veilige plek voor de motor. Er oprijden rijden, misschien, maar sommigen overschatten zich. Neem nou de pompbediende in Botswana die vroeg een ritje te mogen maken, want hij kan immers fietsen! Dus blijft het veilig opbergen van de motor altijd een punt van zorg. De boswachter: ”Oh, maar dat is snel opgelost: één man zal de hele nacht opblijven voor bewaking.” Even later staan er twee mannen: de ander is aangesteld voor het maken van vuur. In het hoge bergachtige gebied is het inderdaad koel en ‘s avonds is het truienweer. Het behaaglijke vuur in de open haard geeft niet alleen warmte, maar ook een gastvrije sfeer. In het huisje ernaast is inmiddels op een tweede vuur water warm gestookt en kan ik me wassen. Zo’n service ben ik niet waard en weet met deze situatie niet goed raad. Met zijn drieën eten we daarna van mijn boterhammen die met boter en beleg voor hen een koningsmaal zijn.


Voor ik ‘s morgens uit bed kom, is er opnieuw een vuur aangelegd. De boswachter en nog iemand staan al op mij te wachten. Het blijkt de hoofdonderwijzer van het naburige schooltje te zijn. Of ik toch echt nog even langs school wil komen. Natuurlijk wil ik dat en als ik dan om zeven uur met motor en al het plein op rijd, staan alle leerlingen keurig in rijen opgesteld. “Nee hè, toch niet voor mij?” Dat blijkt inderdaad niet het geval te zijn, want het betreft de dagelijkse inspectie. Vuile handen ? Draai om je oren ! Niks briefje, niks ouders. De hoofdonderwijzer heeft alle tijd en laat mij zijn huisje zien. Hij wil per se iets geven ter herinnering en komt uit op een stuk zeep dat gezien mijn deplorabele toestand (mijn kleding is vuil en ik stink) uitstekend van pas komt. Ik beloof hem op mijn beurt schoolmaterialen te sturen. Daarna ga ik mee de klas in en vertel ik over mijn reis en enkele verschillen tussen Nederland en Tanzania. Het is lang geleden dat ik zo’n intense aandacht bespeurd heb.

Gezond gebleven ?
Op een lange reis van meer dan vier maanden is gezondheid prioriteit nummer een. Helemaal als je er de voorkeur aan geeft met minimaal comfort in een tent te leven. Na Zuid-Afrika wordt een regelmatige aanvoer van voedsel moeilijker. Na 2 weken heb ik bij het tandenpoetsen al flink last van mijn tandvlees. Een beetje verwaarloosd? Beter poetsen? Maar als ik na drie dagen in mijn spiegel mijn tandvlees wat beter bekijk, tel ik boven acht wondjes. Verdomme, het zal toch geen scheurbuik zijn ? En ja hoor, na het slikken van vitaminepillen verdwijnen ze sneller dan ze gekomen zijn. Hoewel ik nog regelmatig in mijn slaapzak kruip met honger, is het duidelijk dat ik dit soort vastenacties niet moet herhalen. Maar dat is lastig, want vaak is er niet meer te koop dan bananen en tomaten. Op bepaalde trajecten worden alleen uien verkocht. Best mogelijk dat er meer te koop is, maar ik weet dat niet te vinden. Vragen stuit op veel onbegrip en vage verwijzingen. Na verloop van tijd leer ik een restje brood of een staafje spaghetti te bewaren waarmee ik sneller duidelijk maak wat ik nodig heb. Er zijn zo hier en daar nog wel andere voedselbronnen als knollen en bladeren van onbekende herkomst, maar ik heb geen idee of ik ze rauw kan eten, moet bakken, braden of koken. Op een éénpitsbenzinebrander heb ik ook niet de gelegenheid veel te experimenteren. Ik specialiseer me dan ook maar in spaghetti met een uitje, 2 tomaten, klontje boter en tomatenketchup. Iedereen die aan overgewicht lijdt kan ik een dergelijke expeditie aanbevelen: was ik voorheen toch al aan de schrale kant, na twee maanden Afrika kan ik wedijveren met een hongerstaker. Mijn maag is inmiddels zo gekrompen dat ik snel verzadigd ben, wat ook weer zijn voordeel heeft. Toch voel ik me fit, alhoewel de reserves klein zijn en bij inspanning de vermoeidheid eerder toeslaat.

Een ander punt van voortdurende aandacht is de waterkwaliteit. Zo lang ik daar zelf voor kan zorgen voorkomen chloordruppels en koken darmproblemen. Ik vertrouw zelfs geen afgesloten fles, want sommigen verstaan de kunst een oude dop nieuw te laten lijken. Om uitdroging te voorkomen maak ik veelvuldig gebruik van de vele stalletjes langs de weg waar Cola en Sprite aangeboden worden voor vaak niet meer dan enkele dubbeltjes. Alleen die merken zijn te vertrouwen.

Het leuke van pauzes zijn van ongedwongen contacten met de plaatselijke bevolking. Maar wat te doen met gastvrijheid als een groezelige beker thee aangeboden wordt? Dat kan ik onmogelijk weigeren en hoop en bid dat de virussen even een andere kant opkijken. En gelukkig, dat deden ze.

Wat altijd blijft is de dreiging van malaria. Ik verbaas me er over dat sommige campinggasten in korte broek en blote armen ‘s avonds de barbecue staan te stoken. Ik begrijp niet waar zij die vermeende onkwetsbaarheid aan ontlenen, maar ik ben door mijn G.G.D. bang genoeg gemaakt om me goed te bedekken, kwistig bescherming te spuiten en trouw te slikken. Eén keer ril ik over mijn hele lijf en loop ik slecht. Ik vermoed dat ik de strijd verloren heb, dus sleep ik water en medicijndoos in de tent en vraag een andere gast de volgende morgen even te informeren naar mijn toestand. Maar gelukkig voel ik me al na een paar uur beter en sta de volgende morgen fit op.

Wat overblijft is de stramheid: al dat stil zitten op die motor …  Ik heb behoefte wat te bewegen, maar joggen langs een stoffige hoofdweg, bij mensen die zich traag voortbewegen of languit in het portiek van een supermarkt liggen, nee dat doe je niet. Maar goed dat er tenten zijn die dwingen om door de knieën te gaan. Trouwens, voor een motorrijder is een soepele pols het belangrijkst en die draait uitstekend.

 

Bureaucratie

Afrika staat bekend als het werelddeel van de bureaucratie. Om politieposten,  grensovergangen en alle andere ontmoetingen een beetje te masseren, heb ik achter de ruit van mijn motor (zie foto) een vriendelijke boodschap geplakt met een tekening van een blanke en een zwarte hand die in elkaar grijpen. Linksboven: HALLO, rechtsonder in het Arabisch het formelere salam alaykum (vrede zij u).  Daarboven de betreffende vlag van het land, in dit geval Kenia. Voor elke grensovergang verwissel ik de vlag.

Als politie een stopteken geeft, dan kom ik uiterst traag aanrijden, zodat de agent ruimschoots de gelegenheid heeft de boodschap in zich op te nemen. Ik denk dat zo’n afbeelding meer de ontspanning in de hand werkt dan een stelletje Ninja-zwaarden. Altijd zet ik de motor af, ontdoe me van de helm, tover een brede glimlach en met uitgestoken hand stel ik me voor. En ook dat ik van Kaapstad kom. Ja, een beetje verwarring zaaien mag best. Als er enigszins aanleiding toe is complimenteer ik de functionaris vervolgens met zijn uniform en vertel hem dat hij er uit ziet als een generaal. Dat houdt het gesprek lekker oppervlakkig. Een vrouwelijke douanebeambte werd helemaal week bij het zien van foto’s van mijn kleinkind. Op  deze manier verliepen de grensovergangen tot in Ethiopië soepel.

Behalve misschien in Malawi waar ik één dag te lang was blijven hangen. Ik wijt dat aan het oponthoud door de slechte wegen. Meteen ruikt de douanebeambte zijn kans. Hij vraagt hoeveel geld ik bij me heb, maar omdat het meeste geld belegd is in travellercheques biedt dat niet veel soelaas. Om te situatie wat te versoepelen vraag ik of ik zijn toestemming kan kopen door een cadeau aan te bieden. Nou dat kon natuurlijk van harte, waarna ik hem een ‘zilveren’ vierkleurenbalpen (V&D, F 4.50) toon. Gretig wil hij die aanpakken, maar omdat langer wachten de honger groter maakt, leg ik hem eerst omstandig de werking uit. Natuurlijk  is hij voor die transactie te porren en ik kan gaan. Later zie ik hem lopen met de pen in de hand.

In Addis Ababa doet zich het probleem voor hoe verder te gaan. In Sudan en Somalië zijn burgeroorlogen en tussen Ethiopië en Erithrea is een ‘normale’ oorlog. Dus óf via Djibouti óf per vliegtuig naar Cairo. Voor mijn veiligheid kies ik voor het laatste. En wat nu komt is typisch Afrika. Als ik bij Ethiopian Airways kom laat ik een afbeelding zien van een motor op een pallet. “Kan dat zo vervoerd worden?” “No problem sir”. “Weet u zeker dat de laaddeur van uw vliegtuig groot genoeg is?” “No problem sir”. Als je dit in Afrika hoort weten ze meestal van toeten nog blazen en is er vast iets aan de hand, en ja hoor, als ik bezig ben de pallet te timmeren, word ik gebeld. Ja, er zijn toch maximumafmetingen. Dat is alleen maar haalbaar als ik de motor op de zijkant leg en onderdelen verwijder. Als ik het pakket op Airport Cargo aflever,  komt men tot de ontdekking dat de maximumafmetingen nog minimaler moeten zijn. Dat betekent opnieuw zagen en onderdelen verwijderen. Ondertussen wordt er gevraagd of ik nog even aan de telefoon wil komen en vertelt Ethiopian Airways dat mijn persoonlijke ticket $ 90 duurder moet zijn. Foutje, bedankt. Wel, je begrijpt dat ik op dat moment op ontploffen sta. Ondertussen ben ik het point of no return gepasseerd en krijg ik een behoorlijk valkuilgevoel over me. Maar goed, alles is betaald en alle papieren zijn in orde, dus alles moet verder goed gaan. Helemaal fout dus, want de rampdagen moeten nog komen.

 

Het toppunt van bureaucratie

Eenmaal geland in Egypte heb ik drie en een halve dag (3½ dus) nodig om mijn motor weer op de weg te krijgen. Om de motor van het vliegveld uit de opslag te krijgen kost 2 dagen, want ze hebben het werk zo versnipperd dat er een verfijnd systeem van 28 (!) hindernissen ingebouwd is. Dat betekent veel werkgelegenheid die de toerist mag betalen. En maar vertragen en maar wachten in 15 kamers op 3 locaties  die telkens per taxi op mijn kosten bezocht moeten worden. Ik ben toen onaardig geworden en ben gaan dreigen dat ik journalist ben en een onderzoek doe naar efficiency en corruptie. Als niet binnen 2 uur mijn motor buiten zou staan, zou ik de toeristenpolitie op de airport inlichten, een brief sturen naar het ministerie en tot publicatie overgaan in een Europees magazine. Gevolgd door verzending naar de ambassade. Alles met naam en toenaam van de betreffende clearence officer. Met multoband en horloge in de hand, kreeg de 80 gulden smeergeld terug, nadat ik de sufferd een eigen gemaakte nota had laten ondertekenen. Wat een stelletje dieven!

Ik zal je de overige details besparen. Nou één dan: blijkt bij Ethiopian Airlines (alweer) ook nog mijn naam verkeerd gespeld: Heystek in plaats van Heijstek. Weer een halve dag oponthoud. Nou ben ik toevallig de enige met zo’n naam op 20 miljoen Caïronezen, maar nee, die letter hè ? Moet eerst vanuit Addis Abeba per fax hersteld worden. Zeker weten, wij hebben het haringkaken, zij het mierenneuken uitgevonden.

Dan dag drie: de douane. Opnieuw ongelooflijke bureaucratie. Ik loop constant van het ene naar de andere loket. Alles moet nieuw: rijbewijs, kentekenbewijs, verzekering, wegenbelasting, nummerplaat en alle formulieren worden telkens door een ander geverifieerd, waarbij je steeds op je beurt moet wachten. Ook hier moeten vele honderden guldens betaald worden. Rond half twee lijkt het proces afgerond te kunnen worden, dus naar de laatste hindernis: de kamer voor de nieuwe nummerplaat. Laat die kamer nou al om 13.00 uur (!) gesloten zijn. “Morgen verder, sir” Dat betekent dat de motor die nacht op de binnenplaats moet blijven naast honderden andere voertuigen waarvan de eigenaars na maanden kennelijk zoveel kosten moeten maken om ze los te krijgen dat het de waarde van het voertuig overtreft. Een groep soldaten is aangesteld om de voorraad te bewaken. Compleet zinloos. Als uiteindelijk de volgende dag het sein voor vertrek gegeven wordt, moet eerst opnieuw betaald worden. Omdat ik niet begrijp waarvoor, ga ik naar de chef die een volle minuut nodig heeft om te achterhalen waar de betaling voor dient: stalling en bewaking. Na deze hectische dagen heb ik zoiets van: laat die hele steenzooi (piramides, sfinx, tempels en tombes) de lucht invliegen. Een gedachte waar ik achteraf geen uitvoering aan gegeven heb.

De individuele Egyptenaar is daarentegen gewoon aardig, gastvrij en behulpzaam, maar als ambtenaar worden mensen angstig om fouten te maken. Met de dreiging van werkloosheid wordt alle initiatief en soepelheid gedood. Wat ik in Egypte geleerd heb is wachten. Wachten op ambtenaren die eindeloos met elkaar zitten te wauwelen of gewoon een boek zitten te lezen. Eén zat te breien en een ander openlijk voorover op een leeg bureau te slapen. Dom gezicht … De moraal is duidelijk: blijf onafhankelijk, val niet in handen van vervoerders en ga helemaal niet en nooit met een voertuig naar Egypte! Je bent gewaarschuwd.

Wat de overheden in tropisch Afrika voor nuttigs doen, vraag ik me bij herhaling af. Er is gewoonlijk geen straatverlichting, geen regelmatige postbezorging, nauwelijks onderhoud van wegen, geen vuilophaaldienst, geen sociale woningbouw en zelden straatnamen. En de verwachting dat daar verbetering in komt is ook minimaal, want tradities zijn zo sterk en het onderwijs zo zwak, dat men geen idee heeft wat bedoeld wordt met vakkennis, nauwgezetheid en zorgzaamheid. Maar … nergens heb ik zo veel lachende en vriendelijke mensen ontmoet als in de armste delen van Afrika! Arm van buiten, rijk van binnen. Het lijkt dat ze ons geld helemaal niet nodig hebben om gelukkig  te zijn. Het blijkt: hoe minder spullen, hoe minder zorgen en hoe minder ambitie des te eerder tevreden.

 

Gearresteerd en gecontroleerd

Ik neem rustig de tijd om het passerende schip in beeld te laten komen. Een foto van het Suezkanaal met alleen een strook water en veel zand is te saai. De kapitein van het langs varend schip gebaart heftig dat ik iets doe wat verboden is.

Ik begrijp werkelijk niet wat er aan de hand is. Dat verandert snel als achter me twee gewapende soldaten aan komen rennen en met spastische gebaren duidelijk maken dat alles wat ik doe fout is. Ze gedragen zich of ze agent 007 ontmaskerd hebben. Ik wordt ter plekke gearresteerd en gedwongen mijn fototoestel af te staan wat ik weiger, maar geef ze wel mijn paspoort. Eén van hen kruipt achter op mijn motor en legt me omstandig uit dat het beter is niet in rechte lijn richting kazerne te rijden. Reden: het is elf uur in de morgen dus ligt de officier voor wie ik mij moet verantwoorden nog te slapen. Logisch hè ? Op een zijweg kiezen we in de schaduw een wachtplek. Ik probeer hem nog over te halen de film uit het toestel te halen, maar deze collaboratie gaat hem te ver. Ik heb wel ruimschoots de gelegenheid hem te vertellen over mijn reis en te overtuigen dat ik als geograaf belangstelling heb voor landschap en de Arabische cultuur in het bijzonder. En natuurlijk slijm ik zo bijzonder gecharmeerd te zijn van de vriendelijkheid en gastvrijheid van de Egyptenaren. Nou ja, je kent dat wel. En dan snap ik de beschuldiging: dit een militaire zone is waar fotograferen streng verboden is. Dat vindt zijn oorsprong in de Sinaïoorlog van 1967. Kennelijk hebben de Egyptenaren dat trauma in 1998 nog steeds niet verwerkt. Na een half uur gaan we naar de militaire post. De koffers moeten open, zodat de officier met eigen ogen kan zien dat ik geen professionele spionageapparatuur aan boord heb. Ik heb een uur nodig om de officier te overtuigen dat ik niet meer ben dan een argeloze toerist op lange doorreis met geografische interesses: ik doe dit voor mijn leerlingen. Uiteindelijk kan ik met alle dia’s en paspoort vertrekken. Poeh …

 

Op naar de Egyptische Sinaï. Dit is een rotswoestijn met voor mij indrukwekkende afmetingen. De angst voor fundamentalisme heeft Egypte veranderd in een politiestaat: georganiseerd toerisme in bussen wordt voor en achter begeleid door militairen. Ik als dwalende motorrijder heb het in dit opzicht wat makkelijker. Toch word ik regelmatig geconfronteerd met wegblokkades bemand door militairen. Deze mannen vervelen zich in de grote leegte kapot en zijn blij met elke afleiding. Van douane tot douane heb ik in Egypte zo’n 40 keer mijn paspoort moeten tonen. Om gedoe tot een minimum te beperken, had ik dit document grijpklaar op mijn borst hangen. Meestal voorkom ik verder verhoor door het initiatief te nemen en meteen de weg te vragen naar het klooster van Sint Catherine. Tip: het blijkt het handigst deze naam gewoon op zijn Nederlands uit te spreken en te vragen naar Katrien.

Het plan was via Egypte, Libië en Tunesië over te steken naar Sicilië en vervolgens naar het noorden te rijden. Omdat het visum voor Libië niet afgegeven werd (ze waren boos op Nederland vanwege sympathie voor Israël), ben ik via Eilat naar het noorden van Israël gereden. Met de winter in aantocht leek het me beter de boot te nemen naar Griekenland. Man man man, wat heb ik in december door Frankrijk een kou geleden, maar als ik thuis kom zie ik het spandoek met ‘Welkom thuis’, staan de buren me op te wachten en heeft mijn vrouw op de straat gekrijt: “FINISH”. Dáár wordt een mens weer warm van. Na16.000 km en een stortvloed aan avonturen rijker is mijn jongensdroom gerealiseerd. 

 

Een droom wordt werkelijkheid - deel 1

Een droom wordt werkelijkheid - deel 2

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen